|
De enkele eenvoudige bepalingen die in juni 1999 werden ingevoerd om
een academisch onderricht toe te voegen aan de specialistische
opleiding, hebben de rechtspositie van de GSO de facto volledig
uitgehold, op elk niveau en doorheen alle fasen van het
opleidingscurriculum.
De afdwingbaarheid van de GSO-rechten in de regelgeving is
onbestaande zolang de specialistische opleidingen zich zullen afspelen
in een "studentje – professor(patron)" relatie.
Het "attest" bedoeld in art. 19 van het KB van 21-04-1983 genereert
onrechtstreeks en zonder enige rechtsgrond een soort middeleeuws
"goddelijk recht" over de GSO, en zelfs een gelijksoortige vorm van
"autoriteit" over de perifere ("geaffilieerde") stagemeesters. Er zijn
perifere stagemeesters die gedwongen worden hun evaluatie van de
kandidaat te herzien onder het dreigement “geen kandidaten meer te
krijgen”, weliswaar niet op grond van een beslissing van het orgaan dat
daartoe wettelijk bevoegd is - de Hoge raad voor
geneesheren-specialisten en huisartsen - maar door de academische
"collega" van het specialisme die op eigen houtje de inhoud van de
stageplannen van "zijn" GSO bepaalt.
Vele GSO durven gewoonweg hun wens om een deel van de opleiding in
perifeer milieu te verrichten niet eens te verwoorden, uit vrees voor
narigheid en mogelijke represailles.
In vergelijking tot de periode vóór juni 1999, heeft deze "pre-academisering"
de kwaliteit van de specialisatieopleiding zeker niet verbeterd. Ze
heeft vooral een relatieve toename in de hand gewerkt van het aantal "GSO-jaren"
in universitaire ziekenhuizen. Ze heeft vele GSO’s verwijderd van de
nochtans noodzakelijke opleiding in de technische routine in het
perifeer ziekenhuismilieu. Voor het overige heeft ze ervoor gezorgd dat
de academische ziekenhuizen tijdens de nacht, het weekend en op
feestdagen vooral omkaderd worden door GSO’s, soms tegen een schrale
vergoeding. Aldus heeft ze bijgedragen tot de toename van de
prestatievolumes verricht door kandidaat-specialisten, waar niemand
zicht op heeft.
Het herhaald "discours" van Franstalige faculteiten tegen de "numerus
clausus" en voor "keuzevrijheid en onderwijs" is geenszins geloofwaardig
als men een kritische blik werpt op de academische attitudes en
gedragspatronen in verband met keuzevrijheid en specialisatieopleiding
zoals die nochtans door het KB van 21-04-1983 juridisch worden
gewaarborgd aan de kandidaat-specialisten. Het attest afgeleverd door
een Geneeskundefaculteit geeft geen enkele universitaire stagemeester de
toelating om zich de rechten van de kandidaat-specialist toe te eigenen.
Elk stageplan van een GSO opgelegd door iemand die zichzelf op de koop
toe opdringt als stagecoördinator, is een tweevoudig misbruik van
recht1. Elk onvolledig gehouden stageplan of elke opgelegde eenzijdige
wijziging van een stageplan is een misbruik van recht. Elke weigering
van stages in een andere stagedienst door een zichzelf opdringende
stagecoördinator, is een misbruik van recht. Enz.,enz.
Men ziet niet in waarom de enkele aanpassingen die in maart 1999
werden aangebracht aan het KB van 21-04-1983 teneinde een universitair
theoretisch onderwijs in te lassen in het curriculum van de
specialistische opleidingen, na enige tijd aanleiding moesten geven tot
de knoeiboel van vandaag. Er is geen enkele objectieve reden die zoiets
verantwoordt. En toch gingen enige tijd later de universitaire kringen
hun "wishfull" interpretatie al meteen inkleden met de benaming "de
academisering".
Het meest zorgwekkende is wel dat dit (minstens) "borderline" gedrag
en zijn vele variaties, bij sommige faculteiten tot ontwikkeling is
gekomen zonder enig schuldgevoel of schroom, zonder enige morele
emotie, zonder enige autokritische analyse of reflectie, alhoewel het
evident was dat daarbij het recht en de keuzevrijheid van de GSO werden
geschonden.
De kandidaat-specialisten zijn geen adolescenten. Het zijn
volwassen vrouwen en mannen met een artsendiploma, die na zeven jaar
“studentje” zijn eindelijk een beroepsopleiding aanvatten van nog maar
eens vijf jaar of meer in een specialisme. Dank zij de "academisering"
en zonder te weten welke bijkomende beroepstitels nog zullen geschapen
worden om hun opleiding te verlengen en hun specialisme te verengen,
starten ze een levensproject met ongekende afloop. En met de
academisering zoals ze vandaag in de Franse gemeenschap wordt toegepast
hebben ze nog minder zicht op het “curriculum”, pardon, de doolhof
waarin ze gaan verstrikt geraken.
Namens het uitvoerend bestuur.
In extenso
(202 Kb)
|