|
In de academische ziekenhuisdiensten gonst het van het rekenwerk in "GSO-jaren".
Economisch is zo'n "GSO-jaar" van onschatbare waarde voor de
evenwichtige werking van de academische ziekenhuizen. Niet alleen werden
de opleidingsduren van de in 1999 bestaande basisspecialismen in het
algemeen verlengd. Vaak onder universitaire invloed werden nieuwe
beroepstitels toegevoegd - met amputatie van het bevoegdheidsgebied van
bestaande basisspecialismen - en bijkomende bijzondere
beroepsbekwaamheden geschapen die in feite niets anders zijn dan
verlengingen van de opleiding in een bepaald deelgebied. Met elke nieuwe
beroepstitel worden additionele "GSO-jaren" aangeboord. Wie een nieuwe
titel zoekt, kan op elke pagina van een medisch woordenboek wel zijn
gading vinden. De recentste vondst heet "geneesheer-specialist in de
slaapgeneeskunde", maar voorlopig wordt ze niet weerhouden.
Maar het denken in "GSO-jaren" situeert zich niet altijd in de
context van opleiding. Enkele jaren geleden had een Franstalig
universitair ziekenhuis gewoon besloten dat de laatstejaars-GSO hun
stages met een maand moesten verlengen. Reden? Budgettair? Samenloop van
omstandigheden? Tijdelijk probleem van bestaffing? Juridische
verantwoording: geen en dus ging het noch min noch meer om contractbreuk
en rechtsmisbruik.
Sommige universitaire diensthoofden trekken met een grenzeloze
creativiteit op zoek naar "GSO-jaren". Zelfs in de context van de louter
administratieve aspecten van de opleidingsprocedure. Zonderling is dat
in april jl. plots het advies van de Hoge Raad van
Geneesheren-specialisten en Huisartsen werd gevraagd omtrent de
invoering van een "redelijke termijn" voor het indienen van de
erkenningsaanvraag op het einde van de opleiding. Bezorgde
kandidaat-specialisten kregen onlangs van ambtenaren van de FOD te horen
dat het de bedoeling was om de kandidaten een bijkomend stagejaar op te
leggen in geval er, zes maanden na het einde van de stages, nog stukken
zouden ontbreken in hun dossier. Niets is eenvoudiger dan zoiets voor
mekaar te krijgen: een laatste evaluatieverslag dat op zich laat
wachten, een wetenschappelijk artikel dat niet tijdig gepubliceerd
geraakt, een stuk dat zoek is in de dienst of bij de FOD, een
coördinerend stagemeester die dwarsligt met de evaluatie van de laatste
stage in een perifere dienst, een nebuleus antwoord op een vraag, een -
bijgevolg niet onschuldig - misverstand over wat nu precies volgens de
criteria vereist is, enz...
Een zeer recent voorbeeld. De criteria voorzien doorgaans de keuze
tussen een ”mededeling op een wetenschappelijke vergadering” of een
“artikel in een wetenschappelijk tijdschrift”. Vandaag wordt in de
Franstalige Gemeenschap het artikel soms als een additionele voorwaarde
voor de erkenning voorgesteld. Ook sommige ambtenaren van de FOD worden
door bepaalde voorzitters van erkenningscommissies gestimuleerd om dit
te eisen. Wie waakt er nog met de nodige zorgvuldigheid over de juiste
toedracht van de regelgeving? Kandidaat-specialisten lezen dus best
grondig de criteria van hun specialisme.
Sommige academici denken dat ze zelf ministeriële besluiten kunnen (her-)
schrijven – en doen ook graag - met nefaste gevolgen voor de GSO’s: op
het einde van het laatste specialisatiejaar blijkt plots het
proefschrift openbaar voorgebracht voor een academische jury geen
“mededeling op een wetenschappelijke vergadering” meer te zijn. Wat is
die jury dan wel? Meteen wordt de kandidaat dan verplicht nog een
artikel te publiceren, “als ultieme vereiste van de erkenningcommissie”
... Maar … het moet dan wel “gepubliceerd zijn geweest”. Het bewijs van
aanvaarding voor publicatie volstaat “immers” niet. De “redelijke
termijn” kan dus redelijkerwijze niet worden gehaald en … dus moet de
GSO nog maar een jaartje bijdoen ...
Na de hoger opgesomde negen soorten inbreuken, moet je al een blinde
GSO zijn om niet in te zien dat de zgn. "redelijke termijn" de
uitgelezen "GSO-valkuil" van de toekomst wordt. De "tegenslag" van een
bijkomend jaartje slaat echter om in ware wanhoop voor wie naast zijn
basisspecialisme een aanvullende opleiding in een bijzondere
beroepsbekwaamheid (BBK) gevolgd heeft. Wettelijk moet immers het tweede
jaar BBK plaatshebben ná de erkenning in het basisspecialisme, maar de
stages verlopen in één continuüm ...
Op het ogenblik dat we dit document opstellen is de bepaling omtrent
de zgn. "redelijke termijn" nog niet officieel in voege. Desalniettemin
wordt het beoogd systeem al volop "uitgetest" in sommige Franstalige
faculteiten! Onwettig dus! Er zijn op dit ogenblik
kandidaat-specialisten die hun stages beëindigd hebben voor beide
opleidingen (basisspecialisme + bijzondere beroepsbekwaamheid), zonder
dat ze het allerlaatste (zogenaamd) ontbrekend document kunnen
voorleggen dat nodig is om erkend te worden in hun basisspecialisme.
Dergelijke situatie wijst op een onmiskenbaar gebrek aan informatie -
mogelijks actieve desinformatie - over de regels en criteria. Voor de
GSO is er dringend nood aan een betrouwbare neutrale informatiebron.
Het is bvb. niet verantwoord dat het aantal stagejaren voor een
bijzondere beroepsbekwaamheid in de nefrologie (officieel: 2 jaar) kan
oplopen tot 4 jaar, wegens louter administratieve redenen. Zoiets
mogelijk maken op grond van een rechtsbeginsel "redelijke termijn" zou
het toppunt van intellectuele oneerlijkheid zijn. Naarmate er verder
wordt gesleuteld aan het zgn. academische curriculum van de
specialisatie-opleidingen, krijgt men de indruk dat het sprokkelen van "GSO-jaren"
een geliefde sport is geworden van sommige stagemeesters van sommige
geneeskundefaculteiten. Waarom?
Drie dingen staan vast:
- tot voor enkele jaren bestond dit probleem nauwelijks;
- het is vast geen GSO die de "redelijke termijn" heeft
uitgevonden;
- de "redelijke termijn" wentelt de verantwoordelijkheid voor elk
element dat vertraging veroorzaakt (ook al is het toe te schrijven
aan de stagemeester of de administratie) af op de GSO en dit in het
dubbele voordeel van de stagemeester die er de werkkracht van een
volledig opgeleide geneesheer-specialist, maar weliswaar zonder
titel, bij wint voor de kostprijs van een "GSO-jaar".
Tot nog toe kon een verplichte verlenging van de opleiding met bvb.
één jaar overwogen worden om redenen van lacunes inzake kwaliteit of
competentie die door een stagemeester aan het licht werden gebracht bij
de behandeling door de erkenningscommissie. De moeilijkheid is evenwel
enerzijds dat de tekortkomingen minstens moeten verantwoord worden en
anderzijds, dat die motivering ook vragen doet rijzen over de kwaliteit
en de opvolging van de opleiding en dus van de opleider.
Hier heeft men echter te maken met verlengingen van de (wettelijke)
opleidingsduur wegens louter administratieve aspecten gekoppeld aan een
tijdsfactor. Voor louter arbitraire toepassingen is de "redelijke
termijn" een schitterende uitvinding. Je kan er in volle gemoedsrust en
zonder kleerscheuren "GSO-jaren" mee toevoegen, en het stelt de
stagemeester een arsenaal van kleine drukkingsmiddelen ter hand om de
minste neiging tot eigenzinnigheid bij de GSO te onderdrukken. Maar dit
is slechts een allerlaatste kleine onrechtvaardigheid na de vele andere
die sommige GSO’s moeten ondergaan vanaf de opstelling van het
stageplan.
In extenso
(202 Kb)
|