Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Partners | Publicaties | Hulp  
De Geneesheer-Specialist
Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten
Nummer 7 - December 2008 Vorige Inhoud Volgende
 


Universitaire diensten en "GSO-jaren": wie zoekt, die vindt.

 

In de academische ziekenhuisdiensten gonst het van het rekenwerk in "GSO-jaren". Economisch is zo'n "GSO-jaar" van onschatbare waarde voor de evenwichtige werking van de academische ziekenhuizen. Niet alleen werden de opleidingsduren van de in 1999 bestaande basisspecialismen in het algemeen verlengd. Vaak onder universitaire invloed werden nieuwe beroepstitels toegevoegd - met amputatie van het bevoegdheidsgebied van bestaande basisspecialismen - en bijkomende bijzondere beroepsbekwaamheden geschapen die in feite niets anders zijn dan verlengingen van de opleiding in een bepaald deelgebied. Met elke nieuwe beroepstitel worden additionele "GSO-jaren" aangeboord. Wie een nieuwe titel zoekt, kan op elke pagina van een medisch woordenboek wel zijn gading vinden. De recentste vondst heet "geneesheer-specialist in de slaapgeneeskunde", maar voorlopig wordt ze niet weerhouden.

Maar het denken in "GSO-jaren" situeert zich niet altijd in de context van opleiding. Enkele jaren geleden had een Franstalig universitair ziekenhuis gewoon besloten dat de laatstejaars-GSO hun stages met een maand moesten verlengen. Reden? Budgettair? Samenloop van omstandigheden? Tijdelijk probleem van bestaffing? Juridische verantwoording: geen en dus ging het noch min noch meer om contractbreuk en rechtsmisbruik.

Sommige universitaire diensthoofden trekken met een grenzeloze creativiteit op zoek naar "GSO-jaren". Zelfs in de context van de louter administratieve aspecten van de opleidingsprocedure. Zonderling is dat in april jl. plots het advies van de Hoge Raad van Geneesheren-specialisten en Huisartsen werd gevraagd omtrent de invoering van een "redelijke termijn" voor het indienen van de erkenningsaanvraag op het einde van de opleiding. Bezorgde kandidaat-specialisten kregen onlangs van ambtenaren van de FOD te horen dat het de bedoeling was om de kandidaten een bijkomend stagejaar op te leggen in geval er, zes maanden na het einde van de stages, nog stukken zouden ontbreken in hun dossier. Niets is eenvoudiger dan zoiets voor mekaar te krijgen: een laatste evaluatieverslag dat op zich laat wachten, een wetenschappelijk artikel dat niet tijdig gepubliceerd geraakt, een stuk dat zoek is in de dienst of bij de FOD, een coördinerend stagemeester die dwarsligt met de evaluatie van de laatste stage in een perifere dienst, een nebuleus antwoord op een vraag, een - bijgevolg niet onschuldig - misverstand over wat nu precies volgens de criteria vereist is, enz...

Een zeer recent voorbeeld. De criteria voorzien doorgaans de keuze tussen een ”mededeling op een wetenschappelijke vergadering” of een “artikel in een wetenschappelijk tijdschrift”. Vandaag wordt in de Franstalige Gemeenschap het artikel soms als een additionele voorwaarde voor de erkenning voorgesteld. Ook sommige ambtenaren van de FOD worden door bepaalde voorzitters van erkenningscommissies gestimuleerd om dit te eisen. Wie waakt er nog met de nodige zorgvuldigheid over de juiste toedracht van de regelgeving? Kandidaat-specialisten lezen dus best grondig de criteria van hun specialisme.

Sommige academici denken dat ze zelf ministeriële besluiten kunnen (her-) schrijven – en doen ook graag - met nefaste gevolgen voor de GSO’s: op het einde van het laatste specialisatiejaar blijkt plots het proefschrift openbaar voorgebracht voor een academische jury geen “mededeling op een wetenschappelijke vergadering” meer te zijn. Wat is die jury dan wel? Meteen wordt de kandidaat dan verplicht nog een artikel te publiceren, “als ultieme vereiste van de erkenningcommissie” ... Maar … het moet dan wel “gepubliceerd zijn geweest”. Het bewijs van aanvaarding voor publicatie volstaat “immers” niet. De “redelijke termijn” kan dus redelijkerwijze niet worden gehaald en … dus moet de GSO nog maar een jaartje bijdoen ...

Na de hoger opgesomde negen soorten inbreuken, moet je al een blinde GSO zijn om niet in te zien dat de zgn. "redelijke termijn" de uitgelezen "GSO-valkuil" van de toekomst wordt. De "tegenslag" van een bijkomend jaartje slaat echter om in ware wanhoop voor wie naast zijn basisspecialisme een aanvullende opleiding in een bijzondere beroepsbekwaamheid (BBK) gevolgd heeft. Wettelijk moet immers het tweede jaar BBK plaatshebben ná de erkenning in het basisspecialisme, maar de stages verlopen in één continuüm ...

Op het ogenblik dat we dit document opstellen is de bepaling omtrent de zgn. "redelijke termijn" nog niet officieel in voege. Desalniettemin wordt het beoogd systeem al volop "uitgetest" in sommige Franstalige faculteiten! Onwettig dus! Er zijn op dit ogenblik kandidaat-specialisten die hun stages beëindigd hebben voor beide opleidingen (basisspecialisme + bijzondere beroepsbekwaamheid), zonder dat ze het allerlaatste (zogenaamd) ontbrekend document kunnen voorleggen dat nodig is om erkend te worden in hun basisspecialisme. Dergelijke situatie wijst op een onmiskenbaar gebrek aan informatie - mogelijks actieve desinformatie - over de regels en criteria. Voor de GSO is er dringend nood aan een betrouwbare neutrale informatiebron.

Het is bvb. niet verantwoord dat het aantal stagejaren voor een bijzondere beroepsbekwaamheid in de nefrologie (officieel: 2 jaar) kan oplopen tot 4 jaar, wegens louter administratieve redenen. Zoiets mogelijk maken op grond van een rechtsbeginsel "redelijke termijn" zou het toppunt van intellectuele oneerlijkheid zijn. Naarmate er verder wordt gesleuteld aan het zgn. academische curriculum van de specialisatie-opleidingen, krijgt men de indruk dat het sprokkelen van "GSO-jaren" een geliefde sport is geworden van sommige stagemeesters van sommige geneeskundefaculteiten. Waarom?

Drie dingen staan vast:

  1. tot voor enkele jaren bestond dit probleem nauwelijks;
     
  2. het is vast geen GSO die de "redelijke termijn" heeft uitgevonden;
     
  3. de "redelijke termijn" wentelt de verantwoordelijkheid voor elk element dat vertraging veroorzaakt (ook al is het toe te schrijven aan de stagemeester of de administratie) af op de GSO en dit in het dubbele voordeel van de stagemeester die er de werkkracht van een volledig opgeleide geneesheer-specialist, maar weliswaar zonder titel, bij wint voor de kostprijs van een "GSO-jaar".
     

Tot nog toe kon een verplichte verlenging van de opleiding met bvb. één jaar overwogen worden om redenen van lacunes inzake kwaliteit of competentie die door een stagemeester aan het licht werden gebracht bij de behandeling door de erkenningscommissie. De moeilijkheid is evenwel enerzijds dat de tekortkomingen minstens moeten verantwoord worden en anderzijds, dat die motivering ook vragen doet rijzen over de kwaliteit en de opvolging van de opleiding en dus van de opleider.

Hier heeft men echter te maken met verlengingen van de (wettelijke) opleidingsduur wegens louter administratieve aspecten gekoppeld aan een tijdsfactor. Voor louter arbitraire toepassingen is de "redelijke termijn" een schitterende uitvinding. Je kan er in volle gemoedsrust en zonder kleerscheuren "GSO-jaren" mee toevoegen, en het stelt de stagemeester een arsenaal van kleine drukkingsmiddelen ter hand om de minste neiging tot eigenzinnigheid bij de GSO te onderdrukken. Maar dit is slechts een allerlaatste kleine onrechtvaardigheid na de vele andere die sommige GSO’s moeten ondergaan vanaf de opstelling van het stageplan.


In extenso PDF (202 Kb)
 

Questions & Comments
Copyright © VBS, 1997-2007
  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Partners | Publicaties | Hulp