|
Art. 21, 2e al., 4° van het KB van 16-03-1999 (BS van 24-06-1999)
voorziet dat de erkenningsaanvraag van de kandidaat vergezeld moet zijn
van "een attest dat aantoont dat de kandidaat met vrucht een specifieke
universitaire opleiding heeft gevolgd; voor de kandidaat-specialisten
moet deze opleiding gelijktijdig hebben plaatsgevonden met de eerste
twee jaar van hun opleiding".
Deze "academisering", die oorspronkelijk duidelijk een academisch
wetenschappelijk onderwijs beoogt dat als aanvulling naast de
beroepsopleiding bestaat - wat op zich een nobel streven is - heeft voor
een toenemend aantal kandidaat-specialisten bijzonder nare gevolgen,
vooral in Franstalige universitaire opleidingsziekenhuizen.
Sommige Franstalige universitaire diensten hebben de evaluatie van de
"specifieke universitaire opleiding" eenvoudigweg opgenomen als een
onderdeel van hun stage-evaluaties en er zelfs ondergeschikt aan
gemaakt. Er zijn kandidaat-specialisten die uitstekende resultaten
hebben behaald (een vb.: 80%) voor het "DES"-examen (dat overigens op
interuniversitair niveau wordt georganiseerd), maar waarbij vervolgens
een "DES-comité" van de stagedienst beslist... het wettelijke
universitair attest in te houden (ondanks de vermelding "met
vrucht"!) (7de inbreuk) en de kandidaat een extra laatste jaar
op te leggen in de academische dienst, uiteraard zonder de garantie
dat het zijn laatste zou worden (8ste inbreuk en (dubbel)
rechtsmisbruik)*.
Waarom dergelijk extreem machtsvertoon? Omdat er af en toe
kandidaat-specialisten zijn die het misbruik van recht niet meer kunnen
slikken? Naarmate de academisering vordert en zolang het wettelijk
statuut van de kandidaat-specialist niet correct wordt nageleefd, is
alles denkbaar.
Hoe is het mogelijk dat men soms kandidaat-specialisten aan het einde
van hun zesde opleidingsjaar (of wegens opgelopen “verlengingen” zelfs
later) onbekwaam verklaart, terwijl zij zelfs tijdens hun laatste jaren
helemaal alleen de nacht- en weekendopvang en zorgcontinuïteit
hebben verzekerd in acute diensten met levensbedreigende situaties? De
algemene opleidingscriteria (art. 5.15) schrijven nochtans duidelijk
voor: "de stagemeester vertrouwt aan de kandidaat-specialist slechts
die verantwoordelijkheid toe welke met de graad van zijn opleiding
overeenstemt, ook voor wat betreft spoedgevallen en wachtbeurten". (9de
inbreuk, op het MB van 30-04-1999 tot vaststelling van de algemene
criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters
en stagediensten). Het zou dus logisch zijn dat, wanneer een
kandidaat-specialist als onbekwaam wordt beoordeeld in zijn laatste
jaar, een onderzoekscommissie een ernstig onderzoek zou voeren
naar de naleving van deze wettelijke beschikking. Vandaar ook het belang
voor de kandidaat-specialist om over de bewijzen te beschikken van de
prestaties (m.n. de nomenclatuurcodes) die hij heeft uitgevoerd en die
bij de Z.I.V. in rekening werden gebracht op naam van de stagemeester.
Slechts in een beperkt aantal ziekenhuizen is deze informatie vandaag
ter beschikking.
In extenso
(202 Kb)
|