|
Artikel 12 §1,4° van het KB van 21-04-1983, ingelast bij KB van
16-03-1999, voorziet dat, wanneer het stageplan meerdere stagemeesters
voorziet (en alleen in dat geval), de kandidaat-specialist een van hen
moet aanduiden als "stagemeester -coördinator". In werkelijkheid dringt
de "stagemeester-coördinator" zichzelf op in uitvoering van een
denkbeeldige opdracht of volmacht die zou voortvloeien uit het voornoemd
attest afgeleverd door de faculteit (4de inbreuk en
rechtsmisbruik).
Voortaan stelt de GSO niet langer zijn vertrouwenspersoon, zijn
“persoonlijke coach" aan. In de meeste gevallen stelt de academische
stagemeester zichzelf aan als "coördinator" en beslist hij autoritair
over het stageparcours van de kandidaat. Als deze laatste een deel van
zijn opleiding in een erkende stagedienst van een perifeer ziekenhuis
wil volbrengen om bepaalde speciale of routinevaardigheden te verwerven,
dan zal de beslissing daaromtrent afhangen van de goede wil van zijn
"coördinator" die gewoonweg kan beslissen in functie van zijn eigen
noden of van die van zijn dienst. Sommige GSO’s stellen die vraag, eerst
schuchter, daarna steeds nadrukkelijker. Sommigen dringen zo lang aan
tot ze op hun plaats worden gezet (door wat kleine dreigementen of
represailles, vb. de vermelding van karakterproblemen in een
stageverslag), en schikken zich vervolgens in hun lot.
Het is natuurlijk ontegensprekelijk zo - en gelukkig maar - dat de
meeste bazen uitstekende menselijke relaties hebben met hun
kandidaat-specialisten. Maar het valt te betreuren dat de wettelijke
regels, waarvan de GSO’s niets afweten, niet altijd - en steeds minder -
worden gerespecteerd door de “patroon”, die nochtans als opleider geacht
wordt deze regels te kennen en er zijn stagiair-geneesheer over in te
lichten, in plaats van ze zo te interpreteren en “toe te passen” dat
hij zichzelf de uitsluitende beslissingsmacht toe-eigent over het
stageparcours van elke GSO.
De invloed die deze interpretaties hebben op de verhoudingen tussen
academische patroons (de zogeheten "coördinators") en de perifere
stagemeesters is even pervers. De categorie van de perifere
stagemeesters zou, om Joost mag weten welke juridische beschikking,
ondergeschikt zijn aan de eerste (5de inbreuk en rechtsmisbruik).
Nochtans is het de GSO die de wettelijke contractant is voor elk
samenstellend element van zijn stageplan. Volgens art. 12 van het KB
van 21-04-1983 is het wel degelijk de kandidaat-specialist die een
stageovereenkomst afsluit met een of meer stagemeester(s), perifere
of andere. In werkelijkheid komt het meer en meer voor dat de
academische stagemeester zich de volledige zeggenschap over de stages
van de kandidaat toeeigent (cf. de bovenvermelde inbreuken) en dat hij
zichzelf bedenkt met de rol van diens enige en absolute "volmachthouder"
door zich in zijn plaats te stellen om verbintenissen aan te gaan of
niet aan te gaan met andere stagemeesters. En de (onwetende) GSO stemt
stilzwijgend in, want hij durft niets te zeggen en wordt graag in de
waan gelaten dat hij niets te zeggen heeft...
De perverse effecten van deze inbreuken op de onderlinge verhoudingen
tussen stagemeesters laten uiteraard hun sporen na op het parcours van
de kandidaat. Een voorbeeld: een academische stagemeester was van
oordeel dat de eerste twee opleidingsjaren van een kandidaat erbarmelijk
slecht waren. De volgende twee jaren brengt de stagiair door in een
perifeer ziekenhuis, bij een stagemeester die in de wolken is over de
kwaliteit van diens werk en een lovend evaluatieverslag stuurt naar de
erkenningscommissie. Wanneer de "coördinerende" stagemeester dat enkele
maanden later verneemt, wil hij de quoteringen van de kandidaat (die hij
al twee jaar niet meer heeft gevolgd) "corrigeren" en faxt hij de punten
die hij wil doordrukken naar de perifere stagemeester met het verzoek ze
per kerende ondertekend terug te sturen. In het erkenningsdossier van de
kandidaat zaten er voor één enkel stagejaar drie evaluatiedocumenten van
dezelfde perifere stagemeester: de beoordeling "zeer goed" die hij
spontaan aan de erkenningscommissie had overgemaakt; een tweede positief
document, meer gedetailleerd, maar nog altijd te lovend bevonden door de
patroon; en een derde beoordeling, namelijk de fax die hij ondertekend
heeft teruggestuurd met daarop de door de patroon gedicteerde slechte
cijfers.
Kortom, sommige perifere stagemeesters doen alles wat de academische
stagemeester hen opdraagt, onder de nauwelijks verholen bedreiging dat
anders hun rol wel eens zou kunnen herleid worden tot deze van
"stagemeester zonder assistenten". We hebben hier te maken met een
6de type van inbreuk en rechtsmisbruik aangezien enkel de minister
op advies van de Hoge Raad de stagtemeesters erkent.
De organisatie van "filières" of "netwerken" door de universiteiten
heeft eveneens een beperkende invloed op de wettelijke vrijheid van de
kandidaat-specialist om zelf zijn stagemeesters te kiezen. Het is een
organisatorisch misverstand dat het bestaan van deze netwerken het
academisch milieu het recht zou toekennen om de wettelijke keuzevrijheid
van de GSO aan banden te leggen of om een erkend perifeer stagemeester
te verhinderen stagecontracten af te sluiten in antwoord op de vrije
keuze van een GSO.
In extenso
(202 Kb)
|