|
Theoretisch is het vandaag nog steeds de kandidaat zelf die zijn
stageplan samenstelt, maar van zijn reëel initiatiefrecht bleef enige
tijd na 1999 voor velen nog maar weinig over door feitelijke
"toestanden" of ook inbreuken op de wettelijke regeling vanwege sommige
stagemeesters. Op dit ogenblik zijn de autonomie en het initiatiefrecht
van de kandidaat, zoals ze door de federale wettelijke bepalingen worden
gewaarborgd, fel afgezwakt en, wat de Franstalige gemeenschap betreft,
totaal onbestaand. De rechtspositie van de GSO wordt dikwijls herleid
tot die van een studentje dat gedwongen wordt om adolescent te blijven
tot na zijn dertigste in een relatie van "slaafje-patroon".
Als het vandaag nog steeds bijzonder moeilijk is om op een correcte
manier de verplichtingen na te leven inzake de werktijden, rustperiodes
en studiemomenten, evenals over de billijke vergoedingen, onder meer van
de gepresteerde wachtbeurten, zoals ze geregeld worden in het M.B. van
30-04-1999, dan heeft dat in feite alles te maken met de flagrante
onrechtvaardigheid van de progressieve uitholling van de rechtspositie
van de GSO.
Het KB van 16-03-1999 voegde nochtans slechts twee kleine,
ogenschijnlijk onschuldige bepalingen toe aan het K.B. van 21-04-1983,
zonder enige wijziging van de rechtspositie van de
kandidaat-specialisten. Wat is dan wel de oorzaak van de bovenvermelde
uitholling van hun rechtspositie?
Het tweede lid van art. 10 van het KB van 21-04-1983, ingelast bij KB
van 16-03-1999 (B.S. van 24-06-1999) voorziet dat het stageplan moet
vergezeld zijn van "een attest dat aantoont dat de kandidaat door een
faculteit geneeskunde aanvaard is voor de discipline waarin hij opgeleid
wil worden". Theoretisch kon om het even welke, eventueel buitenlandse,
universiteit dergelijk attest kunnen afleveren. Zodra dat in het bezit
is van de kandidaat, behoudt deze zijn recht in alle vrijheid en
autonoom zijn stageplan samen te stellen. Het is slechts met het KB van
12 juni 2008 (B.S. van 18-06-2008) betreffende de planning van het
medisch aanbod, dat het “universitair attest” een precieze betekenis
krijgt, nl. “het nominatief attest uitgereikt door de persoon die
belast is met het bestuur van een faculteit geneeskunde van een
Belgische universiteit, of een persoon daartoe door deze
aangewezen…”. Met het Decreet van de Franstalige Gemeenschap van 27
februari 2003 werd het “academisch attest” wel veel vroeger ingevoerd
voor Franstalig België. De aflevering ervan gebeurt sedertdien door een
interuniversitaire commissie van de Franstalige faculteiten, voor elk
specialisme. In elk geval is het bij dit Decreet dat de huidige
ontsporingen hun oorsprong vonden.
In werkelijkheid hebben de Belgische universiteiten deze bepaling van
art. 10 omgevormd tot een drukkingsmiddel om zich het exclusieve beheer
toe te eigenen van niet alleen de selectie der kandidaten (en zelfs de
keuze van het specialisme) maar ook de invulling van het stageplan. De
GSO wordt gedwongen om de ganse beslissingsbevoegdheid over zijn
professionele toekomst af te staan. Hij stelt geen stageplan meer op:
het wordt hem opgelegd, te nemen of te laten. (1ste inbreuk en
rechtsmisbruik).
De werkelijkheid is nog harder: het stageplan dat volgens de
wettelijke bepalingen (art 12,§2,2°) moet betrekking hebben op de
volledige opleiding, met het oog op de erkenning door de Commissie - de
formele waarborg die Dr. Y. Rombouts destijds zo belangrijk vond - wordt
dikwijls alleen ingevuld voor het eerste jaar en vervolgens jaar na jaar
geďmplementeerd (2de inbreuk en recidief van rechtsmisbruik),
ondanks de bepaling van art. 16 die zegt dat "noch de kandidaat, noch de
stagemeester eenzijdig veranderingen mogen aanbrengen" (3de inbreuk
en nogmaals recidief van rechtsmisbruik). Het toppunt is dat de
Administratie van de FOD deze handelwijze niet alleen oogluikend
toelaat, maar er zich bovendien op toelegt om ze te
"institutionaliseren" (medeplichtigheid bij inbreuken en
rechtsmisbruik).
Zonder volledig goedgekeurd en contractueel uitvoerbaar stageplan is
de beginnende GSO een paria zonder wilsbeschikking. Hij kan alleen maar
slikken wat men hem voorlegt. Bovendien dreigt het economisch belang van
de stagedienst de belangen van de kandidaat-specialist te verdringen.
In extenso
(202 Kb)
|