|
Het opleidingssysteem, zoals het bestond vóór juni 1999 was gegrond
op de centrale positie van de kandidaat-specialist him- or
herself. De hoeksteen van die rechtspositie was de volledige
autonomie van de kandidaat wat betreft de samenstelling van zijn
stageplan, op basis van overeenstemming met de algemene en bijzondere
erkenningscriteria goedgekeurd door de erkenningscommissie. Dit
stageplan moet alle stages omvatten, op basis van stageovereenkomsten,
die de GSO op eigen initiatief kon afsluiten met de erkende
stagemeesters van zijn keuze en de erkende stagediensten van
zijn keuze.
Zodra het stageplan was goedgekeurd door de erkenningscommissie,
beschikte de kandidaat bijgevolg meteen over de juridische waarborg
voor de uitvoering van zijn volledig stageplan.
Men kan zich moeilijk betere kwaliteitswaarborgen indenken uit hoofde
van de kandidaat-specialist.
De kandidaten (met stageplan goedgekeurd vóór het jaar 2000) hebben
die garanties in feite te danken aan Mevr. Dr. Yvonne Rombouts,
voormalig Geneesheer-Directeur van het Bestuur van de
Geneeskundepraktijk, die in het begin van de jaren '80 korte metten
wilde maken met allerhande wantoestanden t.g.v. de administratieve onwil
van vele, onder meer universitaire stagemeesters die al te dikwijls de
officiële regelgeving en de administratieve verplichtingen m.b.t. de
opleiding en erkenning van de GSO naast zich neerlegden en deze
beschouwden als volkomen nutteloze overlast. De toenmalige Administratie
had geen enkel zicht op de stageplaatsen; sommige kandidaten werden
vergoed en wel op de meest uiteenlopende wijze, andere helemaal niet;
sommige patroons hadden onderhandse afspraken met de ouders van GSO’s
die in ruil voor de opleiding giften stortten aan een "fonds voor de
dienst", enz...
De krachtlijnen van het project van Dr. Rombouts waren:
- een echt kadaster opmaken van de erkende stagediensten en
-plaatsen;
- het bij de aanvang van de stage verplicht indienen door de
kandidaat van een volledig stageplan voor de volledige opleiding
- met de handgetekende engagementen van de “partijen”,m.a.w. zowel
van de kandidaat-specialist als van elke stagemeester, inbegrepen
wat de financiële vergoeding betreft
- de kandidaat had het initiatiefrecht en de keuzevrijheid tussen
de erkende stagediensten en erkende stagemeesters;
- noch de kandidaat, noch de stagemeester konden eenzijdig de
componenten van het erkende stageplan wijzigen;
- arbitrage van geschillen tussen kandidaat en stagemeester zou
gebeuren in de paritair (universiteit-beroep) samengestelde
erkenningscommissie; in geval van blijvend geschil moest de
commissie elders een oplossing vinden voor de verdere opleiding van
de kandidaat.
- beroep tegen beslissingen van de commissie kon ingediend worden
voor de Kamer van Beroep
Na hun wettelijke invoering via het KB van 21-04-1983 hebben deze
duidelijke regels en de werking van het systeem op basis van pariteit
tussen beroep en universiteiten op succesvolle manier een einde gesteld
aan voormalige wantoestanden.
In extenso
(202 Kb)
|