|
“Ik heb mijn volledige stagejaren van mijn basisspecialisme en ook
van mijn bijkomende bijzondere beroepsbekwaming in endocrino achter de
rug, mijnheer. En nu zegt de prof en de administratie van de FOD
Volksgezondheid dat er nog minstens een bijkomend stagejaar moet
volgen…”
Sedert de "academisering" zit er in het universitaire
opleidingsmilieu een zekere neiging tot infantilisering van de GSO, een
mengeling van minimaliserende perceptie wat de officiële regelgeving (en
dus ook de rechten en plichten van de GSO) betreft en van de eigen
behoefte om zelf regels (in de eigen dienst, per specialisme, per
faculteit, en zelfs interuniversitair) te bepalen en de GSO te
beschouwen als studentjes.
Een veel voorkomend kenmerk is desinformatie. GSO kennen noch de
officiële procedureregels, noch de officiële criteria en
erkenningsvereisten. Wat ze ervan weten is een mengsel van halve
waarheden en "officieuze" regels, doorgaans interpretaties van een
"academische patron". De juiste informatie wordt soms helemaal niet of
te laat meegedeeld. Vandaar de uitvinding door de overheid van de
"redelijke termijn”, een systeem om nog bijkomende stagejaren te
induceren. Over de rechten en het juridisch statuut van de GSO wordt
gewoon gezwegen. Studenten hebben zo'n statuut immers niet.
Kandidaat-specialisten zijn geen adolescente studentjes, maar
volwassen universitair geschoolde beroepsbeoefenaars. Nochtans worden ze
meer en meer als adolescentjes behandeld. Met groeiende ergernis stellen
we vast, vooral in het Franstalig landsgedeelte, hoezeer de
rechtspositie van de geneesheren-specialisten in opleiding (GSO) in
toenemende mate werd verzwakt sinds de ontwikkelingen van juni 1999,
onder invloed van de maatregelen die de Overheid heeft getroffen om een
specifiek academisch onderricht te koppelen aan de beroepsopleiding in
de specialistische geneeskunde. Het is paradoxaal dat precies in
diezelfde periode de Hoge Raad adviseerde om een aantal beschermende
waarborgen voor de kandidaat-specialisten en om welbepaalde na te leven
verplichtingen voor de stagemeesters of stageziekenhuizen op te nemen in
de algemene criteria voor opleiding en erkenning (M.B. van 30-04-1999).
Het leek wel of een brede representatieve groep binnen het beroep op
intuďtieve wijze aanvoelde dat de rechtspositie van de GSO stapsgewijs
verzwakt zou worden.
Vandaag is er een dringende nood aan een daadwerkelijk "habeas
corpus" van de kandidaat-specialist. Dat veronderstelt de correcte
toepassing van de wettelijke regels en het duidelijk loskoppelen van het
academisch onderricht enerzijds en de praktijkgerichte beroepsopleiding
anderzijds. De kandidaat-specialist heeft nood aan zijn recht op vrije
keuze en zijn initiatiefrecht om naast het universitair onderricht de
praktijk, technische routine en trainingskwaliteit te verwerven die hij
voor zich noodzakelijk acht. Wat het theoretisch (= academisch)
onderricht betreft, moet hij de vrije keuze hebben wat de Faculteit
betreft en zelfs van keuze kunnen veranderen.
Wat de beroepsopleiding betreft, moet de kandidaat-specialist
volledig autonoom kunnen beslissen in welke erkende opleidingsdiensten
hij zijn stageplan wenst te implementeren, binnen het volledige
beschikbaar aanbod van stageplaatsen. Dit laatste moet hij zelf autonoom
kunnen opstellen voor zijn volledige opleiding.
Wij hebben geen enkel bezwaar, wel integendeel, tegen de inrichting
van academisch onderricht als onderdeel van de specialisatieopleiding.
Maar wij zijn tegen een "academisering" die gebruikt wordt om de
wettelijke waarborgen ter bescherming van de GSO tot niets te herleiden
en het beroepsgericht aandeel aan te tasten. De overheid zou ernstig
moeten overwegen om de academische impact op de specialisatieopleidingen
in te perken. Men zou best twee keer nadenken over wat er vandaag
gebeurt! Er mag niet geraakt worden aan de rechten van de GSO! En van
een gelegaliseerde versie van allerhande praktijken die gegroeid zijn
uit de ”academisering” kan geen sprake zijn!
In extenso
(202 Kb)
|