Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Partners | Publicaties | Hulp  
De Geneesheer-Specialist
Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten
V.B.S. jaarverslag 2004 - 05.02.2005 Vorige Inhoud Volgende
 

IV. De Dienst geneeskundige evaluatie en controle (DGEC) van het RIZIV

 

1. De DGEC als administratief rechtsorgaan
2. De "Modernisering van de DGEC"


IV.1. De DGEC als administratief rechtsorgaan
 

Het systeem van beoordeling van de nomenclatuur- of overconsumptiedossiers via het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle (DGEC), als administratief rechtsorgaan in eerste instantie, kwam meermaals in opspraak en gaf aanleiding tot twee opeenvolgende wetswijzigingen. De "lapsus" (1 collectieve ziekenfondsstem t.o.v. 1 stem per aanwezige vertegenwoordiger van de artsen), in de oorspronkelijke versie van ex-minister F. VANDENBROUCKE, was niet zomaar een toeval. Het opzet was duidelijk de artsenvertegenwoordigers in een zwakkere positie te brengen dan dezen van de andere gezondheidszorgberoepen. Met afwezigen en onthoudingen werd geen rekening gehouden, en men wist wel uit ervaring dat niet alle 8 vertegenwoordigers van de artsen konden aanwezig zijn.

De controledossiers die al in de eerste helft van 2003 waren ingeleid en die normaal overeenkomstig de voorziene wettelijke procedure moesten worden beoordeeld, werden gewoon in beraad gehouden en heringeleid nadat de wetswijziging (retroactief dus) in voege kwam[57].We kunnen ons moeilijk van de indruk ontdoen dat voor de administratieve rechtbanken van het RIZIV de rechtsregels werden aangepast om te kunnen veroordelen.

Omdat we bij het opstarten van de nieuwe (responsabiliserings-) procedures in de periode augustus-oktober 2003 moesten vaststellen dat in één enkele zitting de verweermiddelen van ongeveer dertig zorgverleners zonder enige motivering als ontoereikend werden beoordeeld, en omdat men de neutraliteit van én het rechtsorgaan én de rechtsprocedure niet correct bleek te willen eerbiedigen, overhandigde het VBS op 1 juni 2004 een "Memorandum" aan Raynaud WITMEUR, kabinetschef van minister DEMOTTE.

Dit document was opgesteld met de medewerking van ervaren juristen in deze materies en ging uit van de principes van art. 139 van de GVU-wet ( eerst informatie verstrekken teneinde inbreuken te vermijden) en enkele elementaire rechtsbeginselen (eerbiediging van de rechten van de verdediging; recht op een tegensprekelijk debat; interpretaties alleen door de geëigende organen en procedures). Er werden tevens regelingen in voorgesteld om enerzijds een medisch-technisch relevante en deskundige evaluatie van praktijkgedrag mogelijk te maken, en om anderzijds de aanpassing van de nomenclatuur aan de medisch-technische en wetenschappelijke evolutie op een vlotte wijze te laten verlopen.

Wegens tijdsgebrek zou het VBS-memorandum pas besproken worden t.g.v. een tweede contact met het Kabinet op 20 juli 2004. DEMOTTE's verantwoordelijke voor dit dossier bleek Dr. Ri DE RIDDER, nog kabinetsmedewerker geweest bij DEMOTTE’s voorganger Frank VANDENBROUCKE en de onder de dioxines bezweken minister van Volksgezondheid Marcel COLLA. DE RIDDER is tevens Regeringscommissaris in een aantal belangrijke organen van het RIZIV en ongetwijfeld kandidaat om eerstdaags een belangrijke ambtenaarsfunctie in te palmen. Met een paar heftige uitlatingen werd het VBS-memorandum van de tafel geveegd. Een evaluatie van het systeem was volgens DE RIDDER nu niet aan de orde, maar pas in 2006[58]. De huidige moeilijkheden binnen de DGEC als gevolg van het teveel aan vertaalwerk en bureaucratie zou men oplossen door de veroordelingen en sancties rechtstreeks te laten uitspreken door een ambtenaar, m.a.w. dus zonder rechtsorgaan. Van terugkeren naar een tegensprekelijk debat kon geen sprake meer zijn. Toen we hem wezen op de frequente interpretatieve willekeur van de DGEC, antwoordde DE RIDDER kortweg dat dit verschijnsel inherent was aan het vergoedingsstelsel per prestatie (sic!). Waarna hij de bespreking verliet.
We konden alleen maar nota nemen van DE RIDDER’s uitgesproken vooringenomenheid tegenover het bestaande wettelijke vergoedingssysteem. Maar dat is en was geen nieuws.


IV.2. De "Modernisering” van de DGEC
 

Inmiddels werd er in de kantoren van de DGEC wél ijverig gewerkt aan een grondige herziening van het systeem. Op 13 september nodigde de Jo DE COCK, Administrateur-generaal van het RIZIV, samen met de Drs. Bernard HEPP, directeur-generaal leidend ambtenaar en Dr. Charles VRANCKX, adjunct-directeur-generaal van de DGEC, een aantal vertegenwoordigers uit van de representatieve artsenorganisaties die zetelen in de DGEC op een informatievergadering waarin hij een uitvoerige nota van 35 pagina’s toelichtte over de "Modernisering van de DGEC". Ondergetekende was uitgenodigd en aanwezig in zijn functie van BVAS-voorzitter. Het betrof een zeer gedetailleerd overzicht van werkingsprincipes en te overwegen maatregelen die zouden leiden tot een meer performant controle – lees repressief - systeem. Precies wat Dr. Ri DE RIDDER twee maanden voordien had aangekondigd. Doel: nog sneller snelrecht, met maximaal rendement, en vooral het "wegwerken" van de "flessenhals" die inmiddels deels door de "lapsus" van de stemregeling, deels door de bureaucratische logheid van VANDENBROUCKE's systeem, was ontstaan. Een van de vooropgestelde maatregelen was de opsplitsing van het Comité in een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling. Twee rechtsorganen dus in plaats van één zodat het aantal dossiers kon verdubbelen. De éénvormige toepassing van de regelgeving zou dan gewaarborgd worden door het wederzijds mededelen van de uitspraken

De Nota "Modernisering DGEC" bevatte een aantal bijzonder verontrustende opvattingen. Men wou blijkbaar de DGEC ontwikkelen als een soort "geheime" politiedienst, met een intern informatienetwerk dat zijn eigen appreciaties, evaluaties en interpretaties van nomenclatuur en zorgpraktijken ontwikkelt en verzamelt. Deze kennis en finessen worden dan zorgvuldig bewaard om op te treden tegen de te controleren beroepsgroep. Een soms dubbelzinnige en duale aanpak van preventie en controle tegelijk, waarbij het accent op de individuele controles van de medische praktijken lag, zonder een duidelijke gedragsnorm voorop te stellen. Te vergelijken met borden voor snelheidsbeperking op de wegen waarop de toegelaten snelheid niet vooraf is ingevuld.

Ook verontrustend was de verkapte manier waarop men de sturing van de Dienst aan het Comité, het echte beslissingsorgaan, wou onttrekken. Het document stelde onder andere voor om de beoordeling van minder zware dossiers over te dragen aan de leidend ambtenaar zonder vast te leggen volgens welke criteria dit dient te gebeuren. Het document poneerde ook dat tenlasteleggingen die betwist worden per definitie zware dossiers zijn met als gevolg dat de DGEC de aanvaarding van haar interpretaties kan afdwingen. Het conditioneel toepassen van de verschilregel bij verkeerd gebruik van nomenclatuurcodenummers zou worden afhankelijk gesteld van de inschikkelijkheid van de gecontroleerde arts enzomeer…

Jo DE COCK benadrukte evenwel dat de nota "Modernisering van de DGEC" maar een eerste ontwerp was dat uitvoerig zou overlegd worden met alle partijen in de schoot van het Comité – wat inmiddels ook gebeurde - en dat er helemaal niet gedacht werd aan onmiddellijke wettelijke initiatieven. Onze vrees was dat het ontwerp van maatregelen al zou opgenomen worden in de nieuwe “winter-“programmawet. Het is immers al jaren een zeer slechte gewoonte dat het Belgisch Parlement een zomer- en een winterprogrammawet produceert, onder kenners de “vuilbakkenwetten” genoemd.

Er was een intense samenwerking tussen enkele juristen van BVAS en VBS en externe juristen, met deelname van een aantal Vlaamse bestuursleden van beide verenigingen. De coördinatie en de presentatie in het Comité van de DGEC berustte bij Dr. Jacques SMEKENS, één van de BVAS-leden binnen het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle. Gespreid over twee vergaderingen van het Comité, lichtte hij alle bezwaren minutieus toe. We wachten met nieuwsgierigheid de herwerkte versie van de nota af. Deze zal van groot belang zijn gelet op de te verwachten volmachten die uitdrukkelijk een onderdeel vormen van het toepassingsveld zoals beschreven in DEMOTTE's recentste voorontwerp van "gezondheidswet".

Blijkbaar wou de minister of zijn regeringscommissaris toch reeds een wettelijk initiatief, want op 16 december jl. vernamen we dat aan de pas in de Kamer gestemde mastodont van Programmawet[59] een "Wet(-je) houdende diverse bepalingen" was toegevoegd waarin artikel 140 van de GVU-wet andermaal een grondige poetsbeurt kreeg[60]. De taalsplitsing van het Comité als administratief rechtsorgaan was al meteen een feit, terwijl de discriminerende stemregeling voor de artsen ongewijzigd gehandhaafd bleef. Het VBS heeft onmiddellijk op 16 en 17.12.2004 gepoogd amendementen te bezorgen en overleg te plegen met bepaalde politieke fracties in de Senaat. De geïnteresseerde senatoren kregen nauwelijks de tijd om het bewuste artikel in de papiermassa terug te vinden en om de betekenis er van te doorgronden of we kregen al tegenbericht dat het geheel nog dezelfde dag (17.12.2004) in de Senaatscommissie gestemd was. Zonder boe noch bah.
Toch één pluspunt: blijkbaar kon/durfde men niet weerkeren naar de datum van 15.02.2003, de datum van in voegetreding van de originele wet van Frank VANDENBROUCKE[61]. De nieuwe regeling trad dus in voege 10 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Aansluitend bij ons vorig verzoekschrift (cfr. punt VI 1.4), besloot het VBS-bestuur op 13 januari jl. om een verzoek tot nietigverklaring in te dienen bij het Arbitragehof tegen deze nieuwste versie van art. 140 van de G.V.U.-wet.


[57] Wet van 22.06.2004. Belgisch Staatsblad 13.08.2004.

[58] Op het ogenblik van het onderhoud was er nog geen sprake van volmachten om de uitgaven in de gezondheidszorg de baas te blijven. Dit ontwerp volgt pas in december 2004.

[59] Programmawet van 27 december 2004. Belgisch Staatsblad 31.12.2004. Ed. 2 (pag. 87.006 tot 87.117).

[60] Artikel 21 van de wet houdende diverse bepalingen van 27 december 2004. Belgisch Staatsblad 31.12.2004. Ed. 2 (pag. 87.118 tot 87.127).

[61] Programmawet van 24 december 2002. Belgisch Staatsblad 31.12.2002.


 

Questions & Comments
Copyright © VBS, 1997-2007
  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Partners | Publicaties | Hulp