|
1. De DGEC als
administratief rechtsorgaan
2. De
"Modernisering van de DGEC"
IV.1. De DGEC als administratief rechtsorgaan
Het systeem van beoordeling van de nomenclatuur- of
overconsumptiedossiers via het Comité van de Dienst voor geneeskundige
evaluatie en controle (DGEC), als administratief rechtsorgaan in eerste
instantie, kwam meermaals in opspraak en gaf aanleiding tot twee
opeenvolgende wetswijzigingen. De "lapsus" (1 collectieve
ziekenfondsstem t.o.v. 1 stem per aanwezige vertegenwoordiger van de
artsen), in de oorspronkelijke versie van ex-minister F. VANDENBROUCKE,
was niet zomaar een toeval. Het opzet was duidelijk de
artsenvertegenwoordigers in een zwakkere positie te brengen dan dezen
van de andere gezondheidszorgberoepen. Met afwezigen en onthoudingen
werd geen rekening gehouden, en men wist wel uit ervaring dat niet alle
8 vertegenwoordigers van de artsen konden aanwezig zijn.
De controledossiers die al in de eerste helft van 2003 waren ingeleid en
die normaal overeenkomstig de voorziene wettelijke procedure moesten
worden beoordeeld, werden gewoon in beraad gehouden en heringeleid nadat
de wetswijziging (retroactief dus) in voege kwam.We kunnen ons moeilijk
van de indruk ontdoen dat voor de administratieve rechtbanken van het
RIZIV de rechtsregels werden aangepast om te kunnen veroordelen.
Omdat we bij het opstarten van de nieuwe (responsabiliserings-)
procedures in de periode augustus-oktober 2003 moesten vaststellen dat
in één enkele zitting de verweermiddelen van ongeveer dertig
zorgverleners zonder enige motivering als ontoereikend werden
beoordeeld, en omdat men de neutraliteit van én het rechtsorgaan én de
rechtsprocedure niet correct bleek te willen eerbiedigen, overhandigde
het VBS op 1 juni 2004 een "Memorandum" aan Raynaud WITMEUR,
kabinetschef van minister DEMOTTE.
Dit document was opgesteld met de medewerking van ervaren juristen in
deze materies en ging uit van de principes van art. 139 van de GVU-wet (
eerst informatie verstrekken teneinde inbreuken te vermijden) en enkele
elementaire rechtsbeginselen (eerbiediging van de rechten van de
verdediging; recht op een tegensprekelijk debat; interpretaties alleen
door de geëigende organen en procedures). Er werden tevens regelingen in
voorgesteld om enerzijds een medisch-technisch relevante en deskundige
evaluatie van praktijkgedrag mogelijk te maken, en om anderzijds de
aanpassing van de nomenclatuur aan de medisch-technische en
wetenschappelijke evolutie op een vlotte wijze te laten verlopen.
Wegens tijdsgebrek zou het VBS-memorandum pas besproken worden t.g.v.
een tweede contact met het Kabinet op 20 juli 2004. DEMOTTE's
verantwoordelijke voor dit dossier bleek Dr. Ri DE RIDDER, nog
kabinetsmedewerker geweest bij DEMOTTE’s voorganger Frank VANDENBROUCKE
en de onder de dioxines bezweken minister van Volksgezondheid Marcel
COLLA. DE RIDDER is tevens Regeringscommissaris in een aantal
belangrijke organen van het RIZIV en ongetwijfeld kandidaat om
eerstdaags een belangrijke ambtenaarsfunctie in te palmen. Met een paar
heftige uitlatingen werd het VBS-memorandum van de tafel geveegd. Een
evaluatie van het systeem was volgens DE RIDDER nu niet aan de orde,
maar pas in 2006. De huidige moeilijkheden binnen de DGEC als gevolg
van het teveel aan vertaalwerk en bureaucratie zou men oplossen door de
veroordelingen en sancties rechtstreeks te laten uitspreken door een
ambtenaar, m.a.w. dus zonder rechtsorgaan. Van terugkeren naar een
tegensprekelijk debat kon geen sprake meer zijn. Toen we hem wezen op de
frequente interpretatieve willekeur van de DGEC, antwoordde DE RIDDER
kortweg dat dit verschijnsel inherent was aan het vergoedingsstelsel per
prestatie (sic!). Waarna hij de bespreking verliet.
We konden alleen maar nota nemen van DE RIDDER’s uitgesproken
vooringenomenheid tegenover het bestaande wettelijke vergoedingssysteem.
Maar dat is en was geen nieuws.
IV.2. De "Modernisering” van de DGEC
Inmiddels werd er in de kantoren van de DGEC wél ijverig gewerkt aan een
grondige herziening van het systeem. Op 13 september nodigde de Jo DE
COCK, Administrateur-generaal van het RIZIV, samen met de Drs. Bernard
HEPP, directeur-generaal leidend ambtenaar en Dr. Charles VRANCKX,
adjunct-directeur-generaal van de DGEC, een aantal vertegenwoordigers
uit van de representatieve artsenorganisaties die zetelen in de DGEC op
een informatievergadering waarin hij een uitvoerige nota van 35 pagina’s
toelichtte over de "Modernisering van de DGEC". Ondergetekende was
uitgenodigd en aanwezig in zijn functie van BVAS-voorzitter. Het betrof
een zeer gedetailleerd overzicht van werkingsprincipes en te overwegen
maatregelen die zouden leiden tot een meer performant controle – lees
repressief - systeem. Precies wat Dr. Ri DE RIDDER twee maanden voordien
had aangekondigd. Doel: nog sneller snelrecht, met maximaal rendement,
en vooral het "wegwerken" van de "flessenhals" die inmiddels deels door
de "lapsus" van de stemregeling, deels door de bureaucratische logheid
van VANDENBROUCKE's systeem, was ontstaan. Een van de vooropgestelde
maatregelen was de opsplitsing van het Comité in een Nederlandstalige en
een Franstalige afdeling. Twee rechtsorganen dus in plaats van één zodat
het aantal dossiers kon verdubbelen. De éénvormige toepassing van de
regelgeving zou dan gewaarborgd worden door het wederzijds mededelen van
de uitspraken
De Nota "Modernisering DGEC" bevatte een aantal bijzonder verontrustende
opvattingen. Men wou blijkbaar de DGEC ontwikkelen als een soort
"geheime" politiedienst, met een intern informatienetwerk dat zijn eigen
appreciaties, evaluaties en interpretaties van nomenclatuur en
zorgpraktijken ontwikkelt en verzamelt. Deze kennis en finessen worden
dan zorgvuldig bewaard om op te treden tegen de te controleren
beroepsgroep. Een soms dubbelzinnige en duale aanpak van preventie en
controle tegelijk, waarbij het accent op de individuele controles van de
medische praktijken lag, zonder een duidelijke gedragsnorm voorop te
stellen. Te vergelijken met borden voor snelheidsbeperking op de wegen
waarop de toegelaten snelheid niet vooraf is ingevuld.
Ook verontrustend was de verkapte manier waarop men de sturing van de
Dienst aan het Comité, het echte beslissingsorgaan, wou onttrekken. Het
document stelde onder andere voor om de beoordeling van minder zware
dossiers over te dragen aan de leidend ambtenaar zonder vast te leggen
volgens welke criteria dit dient te gebeuren. Het document poneerde ook
dat tenlasteleggingen die betwist worden per definitie zware dossiers
zijn met als gevolg dat de DGEC de aanvaarding van haar interpretaties
kan afdwingen. Het conditioneel toepassen van de verschilregel bij
verkeerd gebruik van nomenclatuurcodenummers zou worden afhankelijk
gesteld van de inschikkelijkheid van de gecontroleerde arts enzomeer…
Jo DE COCK benadrukte evenwel dat de nota "Modernisering van de DGEC"
maar een eerste ontwerp was dat uitvoerig zou overlegd worden met alle
partijen in de schoot van het Comité – wat inmiddels ook gebeurde - en
dat er helemaal niet gedacht werd aan onmiddellijke wettelijke
initiatieven. Onze vrees was dat het ontwerp van maatregelen al zou
opgenomen worden in de nieuwe “winter-“programmawet. Het is immers al
jaren een zeer slechte gewoonte dat het Belgisch Parlement een zomer- en
een winterprogrammawet produceert, onder kenners de “vuilbakkenwetten”
genoemd.
Er was een intense samenwerking tussen enkele juristen van BVAS en VBS
en externe juristen, met deelname van een aantal Vlaamse bestuursleden
van beide verenigingen. De coördinatie en de presentatie in het Comité
van de DGEC berustte bij Dr. Jacques SMEKENS, één van de BVAS-leden
binnen het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en
controle. Gespreid over twee vergaderingen van het Comité, lichtte hij
alle bezwaren minutieus toe. We wachten met nieuwsgierigheid de
herwerkte versie van de nota af. Deze zal van groot belang zijn gelet op
de te verwachten volmachten die uitdrukkelijk een onderdeel vormen van
het toepassingsveld zoals beschreven in DEMOTTE's recentste voorontwerp
van "gezondheidswet".
Blijkbaar wou de minister of zijn regeringscommissaris toch reeds een
wettelijk initiatief, want op 16 december jl. vernamen we dat aan de pas
in de Kamer gestemde mastodont van Programmawet een "Wet(-je) houdende
diverse bepalingen" was toegevoegd waarin artikel 140 van de GVU-wet
andermaal een grondige poetsbeurt kreeg. De taalsplitsing van het
Comité als administratief rechtsorgaan was al meteen een feit, terwijl
de discriminerende stemregeling voor de artsen ongewijzigd gehandhaafd
bleef. Het VBS heeft onmiddellijk op 16 en 17.12.2004 gepoogd
amendementen te bezorgen en overleg te plegen met bepaalde politieke
fracties in de Senaat. De geïnteresseerde senatoren kregen nauwelijks de
tijd om het bewuste artikel in de papiermassa terug te vinden en om de
betekenis er van te doorgronden of we kregen al tegenbericht dat het
geheel nog dezelfde dag (17.12.2004) in de Senaatscommissie gestemd was.
Zonder boe noch bah.
Toch één pluspunt: blijkbaar kon/durfde men niet weerkeren naar de datum
van 15.02.2003, de datum van in voegetreding van de originele wet van
Frank VANDENBROUCKE. De nieuwe regeling trad dus in voege 10 dagen na
publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Aansluitend bij ons vorig verzoekschrift (cfr. punt VI 1.4), besloot het
VBS-bestuur op 13 januari jl. om een verzoek tot nietigverklaring in te
dienen bij het Arbitragehof tegen deze nieuwste versie van art. 140 van
de G.V.U.-wet.
|