Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

Nr 9 - December 2003 Vorige nummer Vorige Archieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende
 

ZORGPROGRAMMA’S VOOR ONCOLOGIE — KONINKLIJK BESLUIT — INTERPRETATIEPROBLEMEN



Vraag nr. 8 van de heer Jo Vandeurzen, lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers, van 29 juli 2003 (N. ) aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid:

Zorgprogramma’s voor oncologie. — Koninklijk besluit. — Interpretatieproblemen.

Het koninklijk besluit van 21 maart 2003 houdende vaststelling van de normen waaraan het zorgprogramma voor oncologische basiszorg en het zorgprogramma voor oncologie moeten voldoen om te worden erkend, zorgt voor enkele interpretatieproblemen.

1.

a) Wie komt in aanmerking voor de beroepstitel in de oncologie?

b) Kan dat alleen een algemeen internist zijn? Of komen ook artsen in subspecialismen van inwendige geneeskunde in aanmerking (bijvoorbeeld gastro-enterologie) ?

c) Zijn daar bijzondere voorwaarden voor?

2. Artikel 14 van het voornoemde koninklijk besluit van 21 maart 2003 dat de normen vaststelt, bepaalt onder meer in punt c) dat op elke vestigingsplaats «geneesheer-specialisten in de heelkunde. . . » actief moeten zijn.

a) Betekent dit dat het er minstens twee moeten zijn?

b) Zijn er voorwaarden gesteld aan hun activiteitsniveau op de vestigingsplaats?

c) Hoe wordt dit desgevallend bewezen?

3. In hetzelfde artikel 14 wordt in punt f) gesproken van geneesheer-specialisten in de pathologische anatomie en dergelijke die voltijds tewerkgesteld zijn.

Komen artsen die deeltijds actief zijn in het ziekenhuis (bijvoorbeeld in de permanentie) niet in aanmerking om de vereiste permanente bereikbaarheid te verzekeren?

4. In artikel 20 van hetzelfde koninklijk besluit van 21 maart 2003 wordt in verband met de functioneel-organisatorische normen gesteld dat er effectief doorverwijzingen en terugverwijzingen moeten zijn tussen de betrokken ziekenhuizen.

a) Mag het hierbij ook gaan over verwijzing van of naar poliklinieken?

b) Ook als die elders gevestigd zijn en niet op de campus waar kernactiviteiten van het ziekenhuis zich bevinden?

Antwoord van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 8 oktober 2003, op de vraag nr. 8 van de heer Jo Vandeurzen van 29 juli 2003 (N. ) :

Ik heb de eer het geachte lid het volgende te antwoorden:

1.

a) Overeenkomstig het ministerieel besluit van 11 maart 2003 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, houders van de bijzondere beroepstitel in de oncologie, evenals van stagemeesters en stagediensten in de oncologie kunnen de geneesheren houder van een bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 de bijzondere beroepsbekwaamheid in de oncologie verwerven indien zij aan de in dat ministerieel besluit bepaalde voorwaarden voldoen.

b) Het oncologisch specialisme is niet voorbehouden aan de geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde. Een geneesheer-specialist in de gastro-enterologie kan bijvoorbeeld eveneens de erkenning in de oncologie verkrijgen. Hierna volgt de in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 vastgestelde lijst van geneesheren-specialisten die toegang hebben tot de bekwaamheid in de oncologie:

geneesheer-specialist in de anesthesie-reanimatie; geneesheer-specialist in de klinische biologie; geneesheer-specialist in de cardiologie; geneesheer-specialist in de heelkunde; geneesheer-specialist in de neurochirurgie; geneesheer-specialist in de plastische, reconstructieve en esthetische heelkunde; geneesheer-specialist in de dermato-venereologie; geneesheer-specialist in de gastro-enterologie; geneesheer-specialist in de gerechtelijke geneeskunde; geneesheer-specialist in de gynaecologie-verloskunde; geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde; geneesheer-specialist in de neurologie; geneesheer-specialist in de psychiatrie; geneesheer-specialist in de neuropsychiatrie; geneesheer-specialist in de oftalmologie; geneesheer-specialist in de orthopedische heelkunde; geneesheer-specialist in de otorhinolaryngologie; geneesheer-specialist in de pediatrie; geneesheer-specialist in de fysische geneeskunde en de revalidatie; geneesheer-specialist in de pneumologie; geneesheer-specialist in de röntgendiagnose; geneesheer-specialist in de radiotherapie-oncologie; geneesheer-specialist in de reumatologie; geneesheer-specialist in de stomatologie; geneesheer-specialist in de urologie; geneesheer-specialist in de pathologische anatomie; geneesheer-specialist in de nucleaire geneeskunde; geneesheer-specialist in de arbeidsgeneeskunde; geneesheer-specialist in het beheer van gezondheidsgegevens.

c) De erkenningsvoorwaarden voor het verkrijgen van de bijzondere beroepsbekwaamheid in de oncologie zijn bepaald in artikel 2 van het ministerieel besluit van 11 maart 2003:

«Art. 2. §1. Wie erkend wenst te worden als geneesheer-specialist met een bijzondere beroepsbekwaamheid in de oncologie moet:

1° houder zijn van een van de bijzondere beroepstitels van geneesheer-specialist, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde;

2° een specifieke opleiding in de oncologie gevolgd hebben, zoals bedoeld in §2;

3° zijn kennis inzake de registratie en de classificatie van tumoren ontwikkeld hebben;

4° een artikel over een klinisch of wetenschappelijk onderwerp in verband met de oncologie gepubliceerd hebben, in een referentietijdschrift.

§2. De specifieke opleiding in de oncologie omvat een voltijdse stage van ten minste twee jaar in een overeenkomstig artikel 4 erkende stagedienst, waarvan ten hoogste één jaar verricht kan worden tijdens de hogere opleiding in een van de disciplines bedoeld in artikel 1 van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991.

De kandidaat kan de stage ten belope van ten hoogste zes maanden lopen in een andere dienst die nuttig is voor zijn opleiding ».

Artikel 6 van het voornoemde ministerieel besluit van 11 maart 2003 bepaalt volgende overgangsmaatregelen:

«Art. 6. §1. In afwijking van artikel 2 kan als houder van de bijzondere beroepstitel in de oncologie erkend worden, de geneesheer-specialist bedoeld onder hoofdstuk II die algemeen bekend staat als bijzonder bekwaam in de oncologie of die het bewijs levert dat hij, sedert ten minste vier jaar na zijn erkenning als geneesheer-specialist, de oncologie op een substantiële en belangrijke manier en met voldoende kennis uitoefent. Hij dient daartoe binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag in te dienen.

Het bewijs dat hij algemeen bekend staat als bijzonder bekwaam, kan geleverd worden door onder andere zijn persoonlijke publicaties, door zijn actieve deelname aan nationale en internationale congressen, aan wetenschappelijke vergaderingen in verband met de oncologie van zijn discipline, door een activiteit die typisch is voor de oncologie van zijn discipline.

§2. In afwijking van artikel 2 kan een stageperiode van twee jaar in de oncologie aangevat vóór de inwerkingtreding van dit besluit, als opleiding gevalideerd worden voor zover de aanvraag werd ingediend binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

§3. De in artikel 3 beoogde anciënniteit van de stagemeester of van de medewerker zal pas vereist worden vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit ».

2. Het gaat inderdaad om minstens twee geneesheer-specialisten in de heelkunde houder van de bijzondere beroepstitel in de oncologie of geneesheer-specialisten in de heelkunde die binnen hun specialiteit een oncologische activiteit hebben evenals een ervaring van tenminste drie jaar in de behandeling van oncologische aandoeningen. Er zijn voor hen geen voorwaarden gesteld aan hun activiteitsniveau op de vestigingsplaats.

3. Neen.

4. Aan de oncologische patiënt moet de meest geëigende zorg in het voor hem meest aangepaste kader, worden aangeboden. Er is dan ook voorzien in een samenwerking tussen beide zorgprogramma’s volgens de afspraken opgenomen in het kwaliteitshandboek.

Het is evident dat indien een patiënt van het ene naar het andere zorgprogramma wordt verwezen, hij daar dan ook wordt opgevangen in een zorgprogramma dat beantwoordt aan de normen van het koninklijk besluit. Het gaat immers om een verwijzing van zorgprogramma naar zorgprogramma waarvan alle onderdelen moeten zijn gegroepeerd op iedere vestigingsplaats waar het wordt uitgebaat (behoudens in het koninklijk besluit opgenomen uitzonderingen) .

Het is mogelijk dat een deel van de polikliniek van een ziekenhuis voor het zorgprogramma functioneert. Een verwijzing daarheen is mogelijk. Om te voldoen aan de normen die gesteld zijn op het vlak van de (door) verwijzingen moet de polikliniek zich echter op de vestigingsplaats bevinden waar het zorgprogramma wordt uitgebaat.


 

 
Vorige nummer Vorige Archieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp