|
Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp |
![]() |
|
Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten |
|
|
|
|
|
NOOT C.02.0127.F Eerste advocaat-generaal J.F. LECLERCQ heeft in hoofdzaak gezegd : 1. Ik ben van mening dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet ontvankelijk is bij gemis aan belang. De niet bekritiseerde overweging van het bestreden arrest volgens welke ik citeer "de overeenkomst te dezen, zonder het initiatief van de beheerder, door stilzwijgende verlenging zou zijn vernieuwd of vervangen door het aanhangsel waarvan het ontwerp in voorbereiding was en reeds in mei 1992 ter goedkeuring aan de Orde van geneesheren was voorgelegd" vormt immers een afzonderlijke en voldoende grondslag van de beslissing. Hoe dan ook, zelfs als men die overweging van het bestreden arrest niet beschouwt als een afzonderlijke en voldoende grondslag, dan nog kan de door het eerste onderdeel van het eerste middel bekritiseerde grond, ongeacht de gebruikte bewoordingen, alleen maar worden uitgelegd in het licht van die andere grond waarop ik heb gewezen, zodat het eerste onderdeel van het eerste middel in dat geval op zijn minst feitelijke grondslag mist. 2. Het tweede onderdeel van het eerste middel faalt m.i. naar recht. Het enige doorslaggevende argument voor de keuze van de oplossing is m.i. het doel dat de wetgever met artikel 125, eerste lid, inzonderheid 7°, van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen voor ogen stond. Dat artikel bepaalt dat het advies van de Medische Raad aan de beheerder wordt verstrekt "in het kader van het in artikel 124 bepaalde doel", dat is, blijkens de bewoordingen van laatstgenoemd artikel "met het doel de geneeskundige verzorging in het ziekenhuis in optimale voorwaarden voor de patiënten te verstrekken". Gelet op een dergelijk doel en ongeacht de bewoordingen die de wetgever heeft gebruikt, zijn er derhalve geen redenen waarom, zoals het tweede onderdeel dus ten onrechte betoogt, artikel 125, eerste lid, 7°, naar luid waarvan de Medische Raad aan de beheerder advies verstrekt over de afzetting van ziekenhuisgeneesheren, behalve de afzetting om dringende reden, op een beperkende wijze zou moeten worden uitgelegd in die zin, enerzijds, dat ik citeer het middel "de verplichting om (dat) advies in te winnen (...) (...) beperkt is tot de afzetting die een sanctie is" en, anderzijds dat, "wanneer de partijen in een overeenkomst voor een bepaalde duur uitdrukkelijk hebben bedongen dat van de vernieuwing van die overeenkomst kan worden afgeweken door middel van een bij aangetekend schrijven ter kennis gebrachte opzegging van zes maanden voor het verstrijken van de termijn, en wanneer de voorwaarden die contractueel zijn bedongen om de overeenkomst niet te vernieuwen, zijn nageleefd, de ziekenhuisgeneesheer de bescherming tegen ontslag niet geniet die hem wordt toegekend bij (voormeld) artikel" (einde van het citaat) De in artikel 125, eerste lid, 7°, vervatte regel strekt vooreerst ertoe de patiënt te beschermen tegen een gedraging van de beheerder die hem zonder wettige reden nadeel zou kunnen berokkenen.De regel komt slechts bij wijze van gevolg ook ten goede aan de ziekenhuisgeneesheer, wat een verklaring kan vormen voor de bijzondere regels waarmee de procedure in geval van afzetting om dringende reden is omringd, in welk geval die dringende reden redelijkerwijs wordt afgewogen tegen het eventuele belang dat de patiënt erbij heeft dat de betrokken ziekenhuisgeneesheer in het ziekenhuis blijft. Ik neig dus ertoe te denken dat de wettekst als volgt moet worden begrepen:"in het kader van het in artikel 124 bepaalde doel verstrekt de Medische Raad aan de beheerder advies wanneer laatstgenoemde een einde wil maken aan de rechtsverhoudingen tussen de beheerder en een ziekenhuisgeneesheer, behalve de beëindiging om dringende reden". Het middel verdedigt een andere zienswijze. 3. Ik ben van mening dat het tweede middel feitelijke grondslag mist. In strijd met wat het tweede middel aanvoert stelt het bestreden arrest immers niet vast dat de door verweerder geleden schade het gevolg is van het feit dat hij een kans heeft gemist op vernieuwing van de overeenkomst. Het bestreden arrest diende zulks trouwens niet vast te stellen, daar geen van de partijen in haar conclusie voor het hof van beroep had betoogd dat de schade van verweerder het gevolg was van het missen van een kans. Besluit : verwerping. ARREST (vertaling) (volledige tekst in het Frans op www.vbs-gbs.org)
|
|
Copyright © VBS, 1997-2004 |
|
Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp |