Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

Nr 8 - November 2003 Vorige nummer Vorige Archieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende
 

Gezondheidszorg en kwaliteit
 Een symposium ter gelegenheid van de emeritaatsviering van Prof. Dr. Luc BAERT
(Urologie, KULeuven)


 

Op zaterdag 27 september jl. organiseerde Prof. Dr L. BAERT t.g.v. zijn afscheidsviering een zeer interessant symposium rond de thema’s kwaliteit en betaalbaarheid van de gezondheidszorg. Een bijzonder actuele thematiek die behandeld werd in een grensoverschrijdend kader en doorheen de verschillende facetten van de medische zorgverlening, met de duidelijke bedoeling vanwege de organisatoren om de beleidsvoerders van onze gezondheidszorg een aantal onontwijkbare probleemstellingen en dilemma’s voor de voeten te schuiven.

Inhoudelijk een bijzonder geslaagd opzet, ware het niet dat de politieke tenoren van het Belgische gezondheidsbeleid afwezig waren. Ex-minister van Sociale Zaken F. Vandenbroucke die eerst had toegezegd de studiedag af te sluiten met zijn inzichten over het Belgisch gezondheidssysteem, had zich op de valreep verontschuldigd wegens de nieuwe bevoegdheidsverdeling binnen de regering. Jammer, want het had de mogelijkheid geboden tot een auto-evaluatie van het recent voorbije regeringsbeleid.
Het nieuwe kabinet van Volksgezondheid en Sociale zaken had eveneens bedankt, wegens het opstarten van de “Gezondheidsdialogen” die in de komende maanden moeten leiden tot het uitstippelen van een nieuw gezondheidsbeleid voor de komende jaren. Nogmaals jammer, want het had minister R. Demotte ongetwijfeld verduidelijkende inzichten kunnen verschaffen die in de grootschalige en mogelijks chaotische“Gezondheidsdialogen” dreigen verloren te gaan.

De verdienste van de organisatoren is precies dat vanuit de premissen van specifieke medische probleemstellingen, in casu genito-urinaire kankerbehandeling, een reeks verhelderende inzichten werden gegeven omtrent “best choices” en de mogelijke evolutie ervan in functie van precieze wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen, om vervolgens de essentiële vraagstellingen door te trekken naar de meer globale en onvermijdelijk macro-economische achtergrond van een gezondheidsbeleid.


Uitgangspunt: de patiënt in zijn centrale positie en met een holistische benadering door de zorgverlener.


Eerste thema: gezondheidszorg, : een recht, haalbaar, betaalbaar en hoe ?

Betaalbaarheid? Wat die essentiële vraag betreft wierp Prof. Z. PETROVICH (Univ. of Southern Carolina School of Medicine, L.A., California, USA), met een uiteenzetting over de nieuwste radiochirurgische technologieën, meteen het peperdure, in 1995 in de V.S. op punt gestelde “CyberKnife”, in de arena.

Deze performante technologische ontwikkeling kan vooralsnog als futuristisch bestempeld worden o.m. gelet op de investeringskost van ongeveer 3 miljoen dollar. Desondanks zijn er 14 installaties beschikbaar in de VSA, 22 in Japan en 2 in Italië. Waaruit de bedenking volgt dat keuzen in het gezondheidsbeleid in ruime mate beïnvloed (kunnen) worden door de landelijke aanwezigheid van industriële belangen; doch eveneens de overweging dat technologische mogelijkheden sedert de laatste 20 jaar veel sneller evolueren dan het beleid. En tenslotte de vraag: moet het beleid technologische innovaties loslaten of beperken?
Toen onze overheid twintig jaar geleden besloot de CT-scan aan programmatie te onderwerpen, ging ze daarbij uit van Franse standpunten die in feite waren ingegeven door vertragingsmaneuvers vanwege de Franse industrie die nog niet klaar was om de eigen productie op de markt te brengen.

Met opvallend gelijklopende opvattingen toonden Prof. L. BOCCON-GIBOD (Bichat, Paris) en langs de andere kant van de Atlantische oceaan, Prof. R. WILLIAMS (USA), beiden in een uiteenzetting over de cost-effectiviness van chirurgische behandelingen van genito-urinaire carcinomen, aan dat “evidence based” lang niet zo evident is als het sloganeske gebruik dat zorgmanagers en gezondheidseconomen er graag van maken. Uitgaande van een holistische benadering van de patiënt in zijn totale eigenheid, en met als enig kwaliteitsdoel zijn gezondheidsbelang en zijn optimale levenskwaliteit, vergt “evidentie” een grondige, zeer gespecialiseerde kennis en medische ervaring waardoor de nauwkeurige evaluatie en inschatting van elk afzonderlijk geval binnen een brede schaal van diagnostische en therapeutische “opportunities” mogelijk wordt. Het aldus formuleren van “best choices” dient te gebeuren in functie van specifieke criteria die onder wetenschappelijk-professionele consensusvorm op basis van stochastische benaderingen worden afgelijnd; alhoewel dat “aflijnen” onvermijdelijk met moeizaam definieerbare randzones gepaard gaat, en het afwegen van “cost” versus ”effectiveness” de mogelijke ontmoeting met individuele dilemma’s niet kan ontwijken.

Indien wetenschappelijk-professionele consensussen over “effectiveness” al een zekere –doch steeds evolutieve - universaliteit kunnen verwerven, is het helaas anders gesteld met het “cost” aspect dat in ruime mate beïnvloed wordt en afhankelijk is van de doeltreffendheid van de door de overheid en vanuit het management gehanteerde organisatie- en financieringssystemen.

Beide auteurs beklemtoonden in feite de diepgaande verwevenheid van zorgbeheer met specialistische medische besliskunde in de ruime zin van het woord, of beter, de integratie van beide begrippen rond de patiënt, als het ware tot een hedendaagse definitie van medisch handelen.

Toen Prof. Dr. A. VLEUGELS ("Minimally invasive techniques: Hope for the patiënt – Ambition for the medical team – Dilemma's for the hospital management") als vierde spreker uit het “urologisch veld” stapte, opmerkend dat men het hoofdthema “Health care: a right –affordable and how?” niet uit het oog mocht verliezen, had iedereen dat wel begrepen als andermaal de bevestiging van diezelfde klemtoon. Antwoordend op de vraag “Hoe?” legde hij het uitgangspunt bij de zorgbehoefte, de zorgvraag en de verwachtingen van de patiënt, waarop hij vervolgens de overeenstemmende beleidsrespons vanwege respectievelijk de zorgverleners (“providers”) en het ziekenhuismanagement trachtte te omschrijven.
We begrijpen dat de noden van de patiënt in termen van toegankelijkheid, beschikbaarheid, begrip, continuïteit, betaalbaarheid, financiële en klinische efficiëntie, kwaliteit, veiligheid, informatie, communicatie, transparantie, zelfbeschikkingsrecht, respect en privacy… door de zorgverlener worden geïmplementeerd in termen van EBM, guidelines, klinische zorgpaden, samenwerking en teamwork, multidisciplinariteit, flexibiliteit, appropriate care i.p.v. onder-, over- of misbruik van zorg, kwaliteitsindicatoren en –bevordering, klinisch risicobeheer, informatie, communicatie, informed consent, patiënt –educatie, respect en vertrouwen. Het steekt een hart onder riem te vernemen dat het aloude en universele "quolloquium singulare" in de XXIe eeuw nog steeds een gevestigde waarde blijft.

Maar we zien niet in op welke premissen uitgaande van de belangen van de patiënt, het begrip "ziekenhuis", op grond van een o.i. vermeende "flexibiliteit"van het management, uit zijn muren zou moeten kunnen stappen naar een alles beherend concept van "virtueel" ziekenhuis, netwerking en vooraf gelegde zorgbanen voor de patiënt. Wat blijft er in die visie over van het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt? Wat blijft er over van de "flexibiliteit"? Gaan we op die manier niet lijnrecht naar op machts- en belangenverhoudingen berustende, alsmaar steviger afgegrendelde zorgbanen?

Door de natuurlijke verschuiving van zorgaccenten naar de extramurale sector dient het ziekenhuis meer dan ooit zijn ontwikkeling te richten op het beheer van beschikbare infrastructuren en middelen, dienstverlening aan de patiënt en aan de zorgverleners, precies daar waar zijn zorgnood de patiënt onttrekt aan de zorgverlening binnen zijn normale levenssfeer, en niet op het managen van zorgverlening als dusdanig, out of limits, vanuit en ten behoeve van diezelfde structuren en middelen. O.i. ligt de uitdaging voor de toekomst met andere woorden in het integreren op een passende wijze van het medisch management, door de betrokken zorgverleners, bij het beheer van de ziekenhuizen, en niet omgekeerd, nl. het ondergeschikt maken van de zorgverlening zelf aan de manageriële behoeften van de structuren.

Om een ander aspect van de complexiteit van het medische handelen toe te lichten gaf Prof. Dr. H. VAN AKEN (Anästhesiologie und operative Intensivmedizin, Wastfälischen Wilhelms-Universität, Münster) een uiteenzetting over de ethische problemen bij het nemen van beslissingen in Intensieve Zorgen ("Ethical problems in intensive care: decision making"). Wie medische beslissingen moet treffen in intensieve zorgen is voortdurend geconfronteerd met nieuwe ethische vraagstellingen, gelet op het steeds iminent aanwezig zijn van leven en dood enerzijds, en de hoge inzet zowel in menselijk lijden en emotioneel gewicht, als in menselijke en technische middelen. Hij legde vooral de nadruk op de ethische dilemma's die ontstaan wanneer twee of meerdere ethische principes met elkaar in conflict komen of doorkruist worden door culturele, moraalfilosofische of religieuze achtergronden; de moeilijkheid om het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt te implementeren wanneer hij niet meer in staat is zijn voorkeur uit te drukken; de nochtans zeldzame respons (slechts 20%) op tijdige bevraging omtrent zorgkeuzen vanwege patiënten in levensbedreigende omstandigheden; de vaststelling dat er geen standaardoplossingen bestaan die toepasselijk zijn voor elke situatie; de subtiele verschillen die de professional herkent tussen “inhouden” (withholding) en “intrekken” (withdrawing) van levensondersteunende behandelingen, waar ze in de ethische normgeving niet worden onderscheiden; de aanzienlijke interpersoonlijke variabiliteit bij beslissingen omtrent het naderend levenseinde. Als men de premissen aanvaardt dat een toenemende vraag naar intensieve zorgen ook vragen naar betaalbaarheid stelt, moet men ook de uitdaging van het allerzwaarste dilemma aandurven: hoe die middelen op rechtvaardige wijze toekennen en prioriteiten bepalen?

Uiterst moeilijke problemen waarvoor Prof. Van Aken verwijst naar de principiële stellingen die terzake werden ingenomen door de American Thoracic Society (1997). En waarbij we ons de bedenking maken hoe zwaar deze complexe beslissingsthematiek contrasteert met sommige ongenuanceerde bepalingen van onze recente wet over de patiënterechten en de wet over de euthanasie.


Tweede thema, kwaliteitszorg op macro-niveau: "Maintenance and improvement of Quality Health Care".

Deze zitting werd ingeleid door Ere-rector Prof. R. DILLEMANS. Hij stelde vast dat er, behalve het begrip "welvaartstaat", binnen West-Europa weinig convergentie is geweest wat de systemen van gezondheidszorg betreft.
Vervolgens gaf hij een historisch overzicht van het Belgische Gezondheidssysteem met een beschrijving van zijn specifieke componenten of "hoekstenen" en waarbij hij vooral de nadruk legde op de bijzondere rol van de ziekenfondsen in België. De jarenlange traditie in "duale" financiering van enerzijds het medisch handelen (betaling per act) en van de ziekenhuiskost, zou tenslotte naar zijn mening herzien moeten worden in de zin van een opsplitsing van de vergoeding van arts in een "zuiver" honorarium per act enerzijds en een deel ter dekking van de werkingskosten anderzijds, dit om het spanningsveld tussen artsen en ziekenhuizen te vermijden. Wij menen dat deze denkpiste door de werkelijkheid achterhaald is en dat ze ongewenste nieuwe spanningsvelden zal creëren binnen het zorgproces zelf, de middelen van het medisch handelen als dusdanig. De enige weg naar de toekomst ligt o.i. niet in het financieringssysteem van de medische activiteiten, maar in de nood aan toenemende medicalisering van het management.

Dr. Marc MOENS , Secretaris-generaal VBS en Ondervoorzitter BVAS, ging in zijn uiteenzetting over "The Belgian health model revisited" dieper in op het moeilijke evenwichtsspel van het bijna sedert 40 jaar op overleg tussen de zorgverstrekkers en de mutualiteiten gebaseerde Belgische systeem, binnen een kader dat door de Overheid wordt opgelegd. De greep van de Overheid op de organisatie van de zorg is, voornamelijk om budgettaire en ideologische redenen, de voorbije 15 jaar zeer sterk toegenomen. De autonome beroepsuitoefening door zorgverleners en het ondernemerschap van verzorgingsinstellingen wordt geknakt door overreglementering door de Overheid. De gevolgen zijn budgetexplosie ten gevolge van overnormering inzake infrastructuur- en personeelsomkadering, zonder kwalitatieve meerwaarde van de zorgverlening. De patiëntentevredenheid blijft voorlopig hoog, maar zorgverleners tonen massaal hun ongenoegen.

Met 285.000 mensen actief in de gezondheidssector, met een budget van 8,7 % van het BBP, met goed opgeleide en – tot voor kort - zeer gemotiveerde professionals, zou nochtans kunnen verwacht worden dat de groeiende noden van een vergrijzende bevolking adequaat kunnen worden opgevangen.

De idee van de Overheid was alle betrokkenen meer verantwoordelijkheid te doen opnemen. De wettelijke uitwerking van dit principe is vooral gericht op één beroepsgroep, de artsen.
Alhoewel de uitgaven voor de artsenhonoraria het minst van alle sectoren zijn gegroeid, wordt voornamelijk het medisch korps met de vinger gewezen voor de stijgende kosten: ze zijn té toegankelijk, ze schrijven teveel voor, zij houden de patiënten (te?) lang in leven.

Om de internationaal hoog aangeschreven Belgische gezondheidszorg in de toekomst te kunnen blijven waarmaken, zijn er op verschillende niveaus een aantal ingrepen nodig.
Artsen willen hier met de andere zorgverstrekkers en met de patiënten constructief aan meewerken. Dr. Moens doet een aantal concrete voorstellen.

De patiënt moet weten dat zorg duur is. Met uitzondering van een beperkte groep van noodlijdende patiënten moet voor alle zorg een beperkt remgeld te worden betaald.
De huisartsgeneeskunde moet zijn autonomie bewaren, los van staatsstructuren. Een forse opwaardering van de honoraria per prestatie is dringend noodzakelijk zodat de huisartsen zelf hun eigen praktijkmodaliteiten kunnen kiezen en uitbouwen.
De plaats van de geneesheren-specialisten die werkzaam zijn buiten de ziekenhuizen moet erkend worden. Hun zorg is zeer toegankelijk en voor de Overheid goedkoper dan de ziekenhuiszorg.
De ziekenhuisartsen moeten op paritaire basis het ziekenhuis mede beheren. Beheerders en artsen moeten terug ondernemers worden. Om binnen de door de maatschappij ter beschikking gestelde middelen te kunnen blijven verkiezen de artsen professionele guidelines boven statistische financieringssystemen.
Vermits geen enkel land alle zorg aan alle patiënten kan en wil ten laste nemen, moet, naast de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, de reeds bestaande aanvullende privé-verzekeringen uitgebreid worden, met respect voor een aantal solidariteitsprincipes.
In de artsenopleiding moet meer aandacht worden besteed aan de kostprijs van het klinisch medisch-technisch onderzoek. Om dit te realiseren moeten de academische centra strikter onderscheid maken tussen klassieke ziekenzorg ten laste van de sociale zekerheid en hun toegepast medisch-wetenschappelijk onderzoek.
Dergelijke wijzigingen doorvoeren kan slechts mits permanent overleg met alle betrokkenen.

Onder de titel "Budgettering in het Nederlands Gezondheidssysteem" bracht vervolgens Dr Iuris Ans ANKONE een beeld van de quasi radeloosheid van het gezondheidsbeleid bij onze Noorderburen. Na een grondig historisch overzicht komt ze tot de slotsom dat Nederland er maar niet in slaagt de vooruitgang van de medische wetenschap aan toegankelijke prijzen aan te bieden aan zijn burgers. De Nederlandse regering tracht hieraan te verhelpen via nieuwe financieringsbronnen voor het macro-budget: hogere bijdragen, zwaardere premies voor het zorgenpakket, invoering van "co-payments" en bijkomende remgelden, zoals bvb van 1.50 € voor elk geneesmiddelenvoorschrift. Of via het invoeren van marktelementen in de contracten tussen patiënten en zorgverzekeraars en tussen deze laatsten en de zorgleveranciers, en door het schrappen van niet medisch noodzakelijk geachte zorgen uit het zorgpakket, welke dan onder een additionele verzekeringsdekking vallen.

Het Nederlandse macro-budget van de gezondheidszorg bedraagt op dit ogenblik 41,2 miljard €, waaronder 17,7 miljard € voor de geneeskundige verzorging en 23,5 miljard € voor de AWBZ (Wet Buitengewone zorgen: chronische ziekten, psychiatrische patiënten, mentaal gehandicapten, rust en verzorgingstehuizen). Ter vergelijking: het Belgische globaal budget 2004 van het RIZIV werd op 13.10.2003 door de Algemene Raad van het RIZIV vastgesteld op 16,256 miljard €. Het Nederlands zorgbudget haalt 9,75% van het BNP, rekent met een budgetoverschrijding van 7 à 9% en met een jaarlijkse groei van het geneesmiddelenverbruik met 10%. Zopas besloot de Nederlandse regering besnoeiingen ten belope van 11,1 miljard € met toenemende "co-payments" door de zorgverbruiker, meer eigen risicodekking, beperkter sociaal zorgpakket en meer private zorgverzekering. En tegelijkertijd vergt het zorgsysteem een enorme toename van efficiency en toegankelijkheid.

Na, wat de specialistische zorg betreft, de onhoudbaarheid van de opeenvolgende budget-systemen te hebben vastgesteld, trachtte men vanaf 1995 over te gaan naar het experiment van de “Diagnose Behandel Combinaties”, een soort zorgprogramma’s of combinaties van medische activiteiten, van diagnosestelling tot einde behandeling, op empirische wijze ontwikkeld door de Nederlandse Vereniging van geneesheren-specialisten. Deze DBC’s zouden volgens een uniforme structuur gekoppeld worden aan een kostprijs (all-in ziekenhuiskost en honoraria). Volgens Mevr Ankoné blijken de resultaten van het experiment vandaag ontgoochelend omdat de registratie teveel tijd in beslag neemt en tot zeer uiteenlopende resultaten leidt. Het systeem gaf ook aanleiding tot hevige conflicten tussen de Overheid en de artsen m.b.t. de vergoeding van hun medische activiteit. Desalniettemin werden in 2003 werden dan toch de eerste contracten met enkele ziekenhuizen afgesloten m.b.t. een 17 tal DBC’s. De bedoeling is dit experiment met de 17 DBC’s uit te breiden op nationaal vlak. Met het oog op een volgende fase wordt onderhandeld over wijzigingen van het systeem naar clustervorming i.p.v. individuele DBC’s. Het systeem zou ook niet verplicht toepasselijk zijn en buiten centrale budgetcorrectie blijven. De volgende fase is inmiddels uitgesteld tot juli 2004. Er wordt gewerkt aan een regeling bestaande uit twee segmenten, enerzijds een budget met vaste DBC tarieven waarin een vast honorariumbedrag begrepen is, en anderzijds een segment met vrije DBC -prijzen en -parameters. Nederland staat voor een op zijn minst gezegd paradoxale situatie: het wil een systeem met vrije marktelementen invoeren binnenin een tot nog toe sterk gereguleerd marktsysteem, en wordt tegelijkertijd geconfronteerd met de nieuwe noodzaak van een strenge uitgavenbeheersing.

Waaruit wij besluiten dat een systeem gefundeerd op een geëchelonneerd zorgaanbod uiteindelijk leidt tot organisatorische impassen, en dat forfaitaire financieringssystemen leiden tot een alsmaar verder aftakelende toegankelijkheid en een toenemende dualiteit.


* * *


Onder het thema " De Europese Gezondheidszorg en het Medisch beroep" gaf Dr. C.C. LEIBBRANDT, voormalig Secretaris-Generaal van de Europese Specialisten Vereniging (UEMS), een overzichtelijke uiteenzetting over de wijze waarop het Verdrag van Rome binnen de E.U. een hoog niveau van gezondheidsbescherming dient te verzekeren (art. 152) en het Verenigd Europa zal bijdragen tot de beveiliging van de gezondheids-, veiligheids- en economische belangen van de verbruikers (art 153). Voorts voorziet het Verdrag (art 47,§3) het progressief afbouwen van reglementaire beperkingen m.b.t. het vrije vestigingsrecht van beoefenaars van gezondheidsberoepen. Deze bepalingen hebben geleid tot Europese richtlijnen betreffende de wederzijdse erkenning van beroepstitels waarbij de Europese Specialisten Vereniging de taak op zich heeft genomen om de kwaliteit van de opleidingen in de verschillende disciplines te harmoniseren en kwaliteitsbevorderend op te treden (European Boards, Charter m.b.t. de organisatie van de voortgezette opleiding, Europese visitaties, Training logboek, Quality Assurance Charter…).

Major General M.K. WYRICK ("Health Care in the United States – Need for a National Strategy") beschreef vervolgens doorheen het Amerikaanse systeem de strategie om zowel individuele als openbare gezondheidsbehoeften te voldoen, waarbij hij de probleemstellingen besprak die in alle naties moeten opgelost worden. Alhoewel de VS per capita meer uitgeven aan gezondheidszorg dan alle landen ter wereld, vertoont het gezondheidsbilan van de Amerikaanse burger morbiteits- en mortaliteitsresultaten die beneden de verwachtingen liggen. Volgens WYRICK moet een gezondheidssysteem zich richten op het gezondheidsniveau van de gemeenschap en centraal beheerd worden met responsabilisering van de begunstigden, performance standards en controle van de uitgaven. In die optiek, als potentieel model, werd niet alleen het private health care system besproken, doch ook de specifieke gezondheidsregeling van de "Military and Veterans Administration."

Als slot van de zitting bracht Dr. Rob VAN DEN OEVER (LCM, Brussel) een uiteenzetting over "The Future of the Belgian Health System", waarbij hij een grondige, dikwijls vergelijkende analyse maakte van het huidig systeem: de basisprincipes, het relatief aandeel private /openbare uitgaven, de sterke punten (hoge output, competitie, moderne technologie, hoge toegankelijkheid, satisfactie van verbruiker en zorgverlener, behoorlijke kwaliteit en een redelijke kostprijs) en zwakheden (versnippering van competenties en middelen, administratiekost t.g.v. van de federale staatsstructuur), en zijn uitdagingen voor de toekomst. Op een nogal provocerende wijze wees hij erop dat volgens Amerikaanse studies een belangrijk aantal overlijdens in ziekenhuismilieu zou kunnen worden voorkomen, en dat in België het voorschrijven van labo-testen en van antibiotica niet altijd even zorgvuldig gebeurt.

Tot besluit stelde hij dat elk individu of organisatie, zowel professionele als politieke, die betrokken is bij het Belgische gezondheidssysteem, bij machte is om een kritische analyse te maken van de positieve en negatieve elementen in onze gezondheidszorg. Het is echter veel moeilijker om de beste beleidspistes aan te wijzen om de verschillende aangestipte problemen op te lossen.
Opmerkelijk is dat, in alle geïndustrialiseerde Westerse landen, gelijkaardige oorzaken aan de basis liggen van de tekortkomingen in het gezondheidsbeleid. De prioritaire rangschikking van die oorzaken en van de mogelijke oplossingen verschillen van land tot land.

Internationale vergelijkende studies over gezondheidssystemen en de toename van onderlinge informatie-uitwisseling met een politiek streven naar harmonisatie van de sociale zekerheid in de EU, tonen aan dat naties hun gezondheidsbeleid willen spiegelen aan positieve ervaringen in andere landen.
Ironisch genoeg worden deze correcties en maatregelen meestal doorgevoerd op het moment dat de landen die als voorbeeld dienden precies die correcties en maatregelen afvoeren wegens het uitblijven van de verhoopte resultaten.

Zo prijkt kostenbeheersing in elk land bovenaan de agenda van het gezondheidsbeleid, maar staan de voorgestelde of aangenomen oplossingen in schril contrast tot elkaar. Naties met een meer geprivatiseerde gezondheidszorg plannen een meer genationaliseerd beleid en omgekeerd, landen met strenge overheidsregulering streven naar een meer gedecentraliseerde en liberale organisatie, terwijl landen waar de bevolking veel uit eigen zak betaalt neigen naar een betere verzekeringsdekking.

Preventie is in sommige landen een top-prioriteit, doch zakt elders weg van de prioriteitenlijst en wordt afgedaan als kostaanzwengelend zonder duidelijk bewezen aanwinsten op het vlak van de volksgezondheid.

Fee-for-service, als anti burn-out vergoeding voor de gezondheidsprofessional, wordt heruitgevonden in landen die verscheidene decennia lang een gesloten enveloppesysteem met forfaitaire vergoedingen kenden.

Kostenbeheersing, een noodzaak voor het behoud van ons eigen en andermans gezondheidszorgsysteem, dreigt evenwel illusoir te worden zonder controle en stevige beperking van de huidige en nog steeds toenemende voorzieningen die met overheidsgeld worden gefinancierd.

Analyse van de groei van de nationale uitgaven voor gezondheidszorg in het laatste decennium toont aan dat deze vooral te wijten is aan elementen die niet onder controle kunnen gehouden worden. De stijging van de levensstandaard, nieuwe technologieën en geneesmiddelen, de toenemende verwachtingen van de patiënten en de veroudering van de bevolking zijn allemaal groeifactoren waarop de managers en politici nagenoeg geen impact hebben. De heterogene aard van de medische praktijk, vaak voorgesteld als een verspilling van middelen, is deels verbonden met de werkelijke aard van de geneeskunde: geneeskunde is nog steeds meer een kunst dan een exacte wetenschap. Zelfs al zouden alle vormen van misbruik en fraude, die ten stelligste vermeden moeten worden, volledig worden uitgeroeid, dan nog kan de sector er niet in slagen de in 1995 wettelijk vastgestelde groeinorm van de gezondheidsuitgaven in toom te houden.
Als de samenleving de sector zijn passende financiering weigert, wat zou strijdig zijn met alle opiniepeilingen die aangeven dat gezondheid de topprioriteit van de Belgen is, moeten onvermijdelijk de uitgaven worden beperkt.

Vermits de onvermijdbare kosten- en uitgavengroei veroorzaakt door manpower (Baumol-effect), de veroudering en de daarmee gepaard gaande objectieve noden, de innovaties van gezondheidstechnologie en inflatie, niet onder controle kunnen gehouden worden en vermits de jaarlijkse groeitrend van gezondheidsuitgaven omwille van evidente redenen niet groter zou mogen zijn dan de groeitrend van het BNP, blijft er maar één mogelijkheid, nl. het toelaten, onder correcte en beperkte voorwaarden, van alternatieve financieringswijzen, zoals private gezondheidsverzekeringen.

Net zoals in de meeste overige landen kan volgens VAN DEN OEVER ons geprezen en dierbaar gezondheidssysteem enkel overleven indien we ermee instemmen dat we moeten leren keuzen te maken tussen de gezondheidsvoorzieningen die door de Overheid verzekerd worden, op basis van gezonde principes van evidence based medicine, essentiële en geobjectiveerde noden en gecombineerde medische, ethische, economische en politieke beslissingen.

Met deze visie van een vooraanstaand arts van een even vooraanstaand Belgisch zorgverzekeraar, menen wij dan ook dat het symposium van Prof. Luc BAERT een bijzonder betekenisvolle conclusie kreeg met een zeer heldere boodschap naar de overheid toe.

Wij zijn er de organisator bijzonder dankbaar voor.

Jos Van den Nieuwenhof


 

 
Vorige nummer Vorige Archieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp