|
1. De hoorzittingen in het Parlement

2. Het voorstel van de Regering


1. Eerste versie van voorontwerp 

2. Tweede versie van voorontwerp : rechtstreeks inzagerecht en de Orde 
3. Het wetsvoorstel VISEUR-PAQUE


1. De vrije arts-patiëntrelatie 

2. Een werkbare informatieplicht 

3. Een werkbaar informed consent 

4. Het recht op weigering van zorgen 

5. Dossier en vertrouwensarts 

6. Klachten en een bemiddelaar 
4. Wat met patiëntenrechten en medische aansprakelijkheid in de Eis-tijd ?

VI. 3 Het wetsvoorstel VISEUR - PAQUE
VI.3.1. De vrije arts-patiëntrelatie
Op 26 juni 2001 werd in de Kamer door de PSCers Jean-Jacques VISEUR en Luc PAQUE het zoveelste wetsvoorstel ingediend over dezelfde materies, onder de vorm van een reeks toevoegingen (een hoofdstuk III bis) aan het KB nr. 78 van 10.11.1967 over de geneeskunst. Blijkbaar hadden de auteurs met aandacht kennisgenomen van de talloze bezwaren die langs medische zijde waren geopperd t.o.v. het ontwerp AELVOET, want op verscheidene vlakken geven de vooropgestelde bepalingen uiting van een veel ruimere realiteitszin. Mits een aantal aanpassingen zouden verscheidene artikels hier zowel voor de patiënt als voor de zorgverlener een veel pragmatischere en in de praktijk meer werkbare regeling bieden. Zo bvb. de vrije keuze van de patiënt : «
Behalve in spoedeisende gevallen… berust de relatie arts-patiënt op de vrije keuze van de zorgverlener door de patiënt en op de vrije aanvaarding van die keuze door voormelde zorgverlener.
» En verder : « De keuzevrijheid van de patiënt blijft beperkt tot de keuze van de zorgverlener voor het toedienen van individuele zorg en van de ziekenhuisinstelling ».
Het lijkt de eenvoud zelve, een kleine oase van gezond verstand middenin een vreselijk op betutteling verzuchte overheid. Gans anders dan de twijfelzaaiende dubbelzinnigheid die in het ontwerp AELVOET ontstaat, zodra de patiënt een voet heeft geplaatst in het ziekenhuis. Ook de vrije aanvaarding van de relatie door de zorgverlener is een evident gegeven dat in de verscheidene andere voorstellen of in het regeringsontwerp niet wordt erkend. Bovendien vinden we in dit voorstel geen onontwarbaar kluwen van zgn. zorgverleners waarin naast instellingen ook de beoefenaars van niet-conventionele praktijken worden vermengd. Men beperkt zich hier tot de beoefenaars van de geneeskunde, de tandheelkunde, de kinesitherapie, verpleegkunde, en de paramedische beroepen (de art. 2,3, 21bis, 21quater en 22 van het KB nr. 78). De niet vermelding van de artsenijbereidkunde is bijzonder betekenisvol.
VI.3.2. Een werkbare informatieplicht
De zorgverlener wordt verondersteld voor handelingen die een verhoogd risico impliceren de patiënt te informeren over aanzienlijke en significante risico’s, over de voordelen, de gevolgen van niet-behandeling, alsmede over alternatieve therapeutische of palliatieve mogelijkheden. Let wel, men heeft het hier uitdrukkelijk over geplande medische handelingen.
De informatie wordt mondeling medegedeeld, zo volledig en optimaal mogelijk, in een begrijpelijke taal. Schriftelijke mededeling geschiedt ofwel op vraag van de patiënt, ofwel wanneer de beoefenaar het zelf nodig acht. Als de patiënt niets vraagt wordt hij geacht conform de wettelijke bepalingen te zijn ingelicht.
Ook dit geeft een schril contrast met de absolute informatieplicht van het ontwerp AELVOET, waarbij de zorgverlener geen rechtszekerheid wordt gegund en het beste advocatenadvies aan de patiënt erin zou bestaan nooit inlichtingen te vragen aan de arts ; zo heeft hij alleszins de meeste kans om hem of haar op tekortkomingen te vatten.
Ook het schriftelijk mandaat aan een vertrouwenspersoon wordt hier op bijzonder zinvolle wijze behandeld. De zorgverlener is volledig vrij te beslissen welke informatie al dan niet aan voormelde persoon wordt vrijgegeven. Kan het logischer in een samenleving waar perslui zich voorstellen als senatorchauffeur om een gevangeniscel binnen te sluipen ?
De therapeutische exceptie wordt geëerbiedigd. Als de zorgverlener in eer en geweten meent dat de informatieverstrekking de patiënt ernstige schade kan veroorzaken, kan hij zich uitzonderlijk, geheel of gedeeltelijk aan zijn informatieplicht onttrekken. Het moet dan wel in het medisch dossier vermeld worden met het waarom.
De patiënt heeft ook het recht om niet ingelicht te worden, mits schriftelijke wilsbeschikking. In dat geval moet de wil van de patiënt geëerbiedigd worden, tenzij dit schade kan veroorzaken aan de gezondheid van een derde.
VI.3.3. Een werkbaar informed consent
Een behandeling mag noch ingesteld noch stopgezet worden zonder voorafgaande, vrije en weloverwogen toestemming van de patiënt. Die toestemming wordt mondeling verleend aan de arts tijdens de raadpleging nadat aan de informatieplicht is voldaan. De arts kan, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de patiënt, de toestemming schriftelijk in ontvangst nemen. Als de patiënt dat verzoek niet formuleert, wordt hij verondersteld zijn instemming te hebben verleend. In het ontwerpvoorstel AELVOET kreeg het eigen initiatief van de arts in casu geen enkele juridische waarde.
Een schriftelijke vaststelling is evenwel vereist voor « zware handelingen », nl. deze die tegelijkertijd ernstige en onomkeerbare gevolgen kunnen hebben, handelingen waarbij vaak risico’s of ernstige neveneffecten optreden, handelingen gepaard gaande met een verminderd bewustzijn of die dit veroorzaken.
VI.3.4. Het recht op weigering van zorgen
Als de patiënt zorgen weigert of zijn instemming intrekt, licht de zorgverlener hem volledig in over de alle voorzienbare gevolgen. Hij tracht te vernemen of de patiënt vrijelijk en met kennis van zaken beslist. Als de weigering de gezondheid of het leven van de patiënt in gevaar kan brengen, moet ze schriftelijk geformuleerd worden in aanwezigheid van getuigen. De weigering ontlast de zorgverlener van de verantwoordelijkheid voor de gevolgen ervan. Deze laatste zal niettemin de continuïteit van de zorgen verzekeren en de nodig geachte prestaties verrichten, doch kan de geweigerde behandeling stopzetten en de patiënt verzoeken zich tot een ander zorgverlener te wenden.
VI.3.5. Dossier en vertrouwensarts
Na een omstandige inhoudelijke beschrijving van het dossier (NB : in feite alleen gepast voor een clinicus), dat in geval van ziekenhuisopname wordt medeondertekend door een verpleegkundige, volgen de bepalingen inzake de toegang tot het dossier. De auteurs sluiten een rechtstreekse toegang volledig uit en laten de patiënt vrij om een vertrouwensarts te kiezen, die hij schriftelijk machtigt, met vermelding van de redenen, om toegang te hebben tot het dossier en hem de inhoud ervan ter hand te stellen.
Van dat principe wordt echter afgeweken in geval van een aansprakelijkheidsvordering tegen de zorgverlener. In dit laatste geval beschikt de patiënt over een rechtstreekse toegang en het recht om het dossier integraal te kopiëren. Men kan zich afvragen waarom de vertrouwensarts hier plots overbodig wordt, zelfs in geval van zgn. therapeutische exceptie.
VI.3.6. Klachten en een bemiddelaar
De patiënt die meent dat zijn rechten niet in acht genomen worden, kan een klacht neerleggen bij een klachtencommissie ingesteld bij de provinciale geneeskundige commissie of , in geval van ziekenhuisverzorging, bij de bemiddelaar aangewezen in het ziekenhuis. Op dit vlak vertoont het wetsvoorstel uiteraard gelijkenissen met verscheidene andere ontwerpen . Innoverend is nochtans dat de aanstelling van de bemiddelaar door de beheerder van het ziekenhuis gebeurt … na advies van de medische raad.
Dat de bemiddelaar « van niemand richtlijnen krijgt voor de uitoefening van zijn opdrachten », en dat de beheerder hem « de middelen ter beschikking stelt die nodig zijn voor de uitoefening van zijn functie », zijn hopelijk iets meer dan twee mooi klinkende vrome wensen als slotbepaling van een wetsvoorstel. Gelet op het belang dat het huidige gezondheidsbeleid in sommige opzichten hecht aan ethische principes, vooral als de patiënt in de mazen van het netwerk verstrikt geraakt, vrezen wij ten zeerste voor een omgekeerde, meer realistische versie, nl. dat de bemiddelaar van niemand veel middelen moet verwachten, en dat beheersstructuren hem wel richtlijnen ter beschikking zullen stellen die nodig zijn voor de uitoefening van zijn functie.
VI.4. Wat met patiëntenrechten en medische aansprakelijkheid in de Eis-tijd ?
Dat een regenboogregering koud en warm blaast tegelijkertijd, in bepaalde dossiers tegenstrijdige opties neemt zodat het einde van de discussies als maar voor zich uit geschoven wordt, is waarschijnlijk niet te vermijden. In het dossier van de patiëntenrechten was dat meteen duidelijk toen minister AELVOET nog lang vóór ze haar « Conceptnota » opstelde, enerzijds wel verklaarde dat patiëntenrechten niet zodanig mochten geformuleerd worden dat de medische beroepsuitoefening onmogelijk zou worden, doch anderzijds vooropstelde dat eerst de patiëntenrechten moesten geregeld worden en slechts daarna het aansprakelijkheidsprobleem.
Het is Professor Herman NYS die met zijn werk « Rechten van de patiënt. Gids voor patiënten en zorgverleners » (Universitaire Pers Leuven, 2001, 184 pp.) uitpakte met het woord « Eis-tijd ». De titel van het boek zegt al duidelijk dat het de bedoeling is patiëntenrechten en medische aansprakelijkheid, de twee keerzijden van hetzelfde probleem, te verzoenen in een vertrouwensrelatie.
Men heeft niet echt de indruk dat die wil ook bestaat in synthesevorm binnen de regering. Hoe zou het ? De minister van volksgezondheid wil niet eens van een « vertrouwens »-arts weten. Ze noemde zoiets, weze het onrechtstreeks, « water en vuur verzoenen », in de memorie van toelichting van haar wetsontwerp.
Geen wonder dus dat de kern van het aansprakelijkheidsdebat in 2001 geen centimeter vooruitkwam en nog steeds zit waar hij zat meer dan anderhalf jaar geleden : in een interkabinettenwerkgroep waar enkele goedmenende politici af en toe de indruk willen geven dat de oplossing nabij is. En zolang men niet van de noodzaak van een vertrouwensrelatie als uitgangspunt vertrekt kan men geen oplossing verwachten.
Het vertrekpunt, helaas, zowel van de ontwerpen inzake patiëntenrechten en van de eerste « no-fault » ontwerpen ligt bij de onwaarachtig abstracte veronderstelling van onfeilbaarheid van de medische wetenschap en van de personificatie ervan, de alwetende en alles genezende onfeilbare « ervaren specialist ». Een hypothetisch wezen dat niet kan bestaan. Contradictie nummer één.
Dat hypothetisch alvermogen moet geconcretiseerd worden in een gezondheidszorg waarop men bespaart tot op de graat met het slagwoord « E.B.M. » en geen eurocent voor defensieve geneeskunde. Contradictie nummer twee.
De medico-legale rechtspraak inzake fout-aansprakelijkheid evolueert rechtstreeks in de richting van een omkering van de bewijslast, zonder uiteraard met enige E.B.M.- redenering rekening te houden. Contradictie nummer drie.
In het « no-fault » systeem wordt gewoon uitgegaan van het begrip « vermijdbare schade » (VS), maar niet elke VS : alléén de VS van de onfeilbare « ervaren specialist ». Contradictie nummer vier.
Naast het « no-fault »systeem blijft de fout-aansprakelijkheid bestaan. In de oorspronkelijke versie kon het slachtoffer beide sporen volgen; in een recentere versie (juni 2001) moest je kiezen. Maar de deskundige kwalificatie van de aard van de schade door het « schadefonds » bleef het uitgangspunt. Als schade vermijdbaar is, zal er…zeker voor de onfeilbare « ervaren specialist », wel iets fout gelopen zijn. Contradictie nummer vijf.
In de oorspronkelijke versie kreeg het slachtoffer een uitkering waarmee een fout-procedure kon ingesteld worden . In de tweede moest men kiezen tussen de uitkering of de fout-procedure, maar dan wel beschikkend over een formele vaststelling van VS. Maar vanuit sommige ziekenfondsen wordt gesteld dat het onrechtvaardig is alleen VS te vergoeden. Bij therapeutische ongevallen hoort ook de « onvermijdbare schade » vergoed te worden. De kwalificatie van de schade wordt dan nog duidelijker. Contradictie nummer zes.
Toen enkele weken geleden plots persberichten in de media kwamen over het « nieuwe » vergoedingssysteem van de therapeutische ongevallen, dacht elke burger dat er schokkende veranderingen op til waren. Het enige dat nog moest geregeld worden zou de financiering zijn.
Er zijn helaas geen schokkende veranderingen. Er is zelfs geen nieuwe ontwerptekst. En evenmin een sluitende financieringspiste waarover de regering het eens is. Hoogstens hoopt men rond Pasen een coherent project naar de ministerraad te krijgen. Misschien kan een ontwerp nog voor de zomer naar de Raad van State. En dan is er een kleine kans dat er tegen het jaareinde een wetsontwerp naar de Kamer gaat. Misschien.
Wie denkt dat het no-fault systeem de druk van de verzekeringslast gaat wegnemen, vergist zich. Over de combinatie van de drie financieringspistes, nl. de artsen (via bijdragen of additionele verzekeringen), burgers (via een belasting en beperking van de schadefonds- vergoedingen), en de sociale zekerheid, is men het in de regering helemaal niet eens. Dankzij de duidelijke contradicties in het systeem, zullen de artsen hoe dan ook minstens tweemaal betalen : zoals nu voor hun fout-aansprakelijkheid, plus de medefinanciering van het schadefonds, en mogelijks nog voor een private ongevalverzekering tegen schade aan hun patiënten.
De enige concrete daad op het vlak van de medische aansprakelijkheid in de loop van het jaar 2001, kwam van de Nationale Raad van de Orde die, in zijn vergaderingen van 16 juni en 18 augustus de zeer juiste en verstandige beslissing nam een §2 in artikel 34 van de Code van Geneeskundige Plichtenleer in te lassen, luidend als volgt :
« Een slachtoffer van een medische fout heeft recht op vergoeding van de door die fout veroorzaakte schade en elke geneesheer dient hiervoor verzekerd te zijn. »
Inmiddels meldden ons in de loop van het voorbije jaar enkele leden een klein medisch probleem waarbij het ziekenfonds een terugbetaling weigerde wegens (foutloos) « therapeutisch ongeval », de patiënt terugsturend naar de arts met de stellige bewering dat zijn verzekering de kosten moest vergoeden. Men kan zich inbeelden wat de reële gevolgen zouden zijn van de invoering van het zo begeerde « no-fault »-systeem : de banalisering van alle kleine al dan niet vermijdbare, medisch foutloze schadegevallen of complicaties, die al dan niet door het schadefonds of lastens de additionele privé-verzekering van de geneesheer worden vergoed… op verhaal van het ziekenfonds. Eens te meer een budgetverschuiving, de regenboog waardig.
De enige realiteit die niemand wil zien, is nl. dat de Eis-tijd onbetaalbaar is.
|