|
Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp |
![]() |
|
Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten |
|
|
|
|
Nr 8 - November 2002 |
||||||||
|
|
||||||||
Mijnheer de Minister, Betreft: ontwerp inzake individuele responsabilisering Wij namen kennis van uw ontwerp inzake de individuele responsabilisering van de zorgverleners zoals dit einde juli jl. werd aangepast. Hierbij bezorgen wij u een aantal bemerkingen en suggesties betreffende deze ontwerptekst, teneinde tot een zo evenwichtig mogelijke en eerlijke regeling te komen. Wij hebben weliswaar de indruk dat sommige bepalingen ten onrechte zijn beïnvloed door een ingesteldheid die ook beschreven werd in de memorie van toelichting van de wet van 14 januari 2002 (BS 22.02.2002) houdende maatregelen inzake gezondheidszorg (frustratie van de Controle- geneesheren). 1. De wijze waarop bepaald wordt wat een overtreding van art 73 van de GVU-wet is. a) Binnen een bepaalde populatie vertoont een minderheid altijd een gedragsdeviatie t.o.v. het mediaangedrag. Dit heeft twee onvermijdelijke gevolgen
Het wetsontwerp voorziet geen verplichting voor de Dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle (DGEC), noch voor het Comité van de DGEC, noch voor de Dienst geneeskundige verzorging, om de normwaarde of de limiet van het strafbaar gedrag vooraf kenbaar te maken aan de betrokken zorgverstrekkers. Punt 1° van het nieuwe art. 139 van de GVU-wet is ontoereikend wat de informatieplicht betreft: het "verspreiden van informatie " (onbepaald) zou minstens moeten verduidelijkt worden met "verspreiden van de
nodige informatie". Doet men dat niet dan stelt men een systeem in waarbij de overtreder niet mag weten dat hij een overtreding begaat en waarbij de vervolger eigenlijk zelf evalueert wat als een overtreding wordt beschouwd, zonder dat er objectief vaststaande maatstaven bestaan voor die evaluatie. Vereisbaarheid vergt ook duidelijkheid. Het zou fundamenteel oneerlijk zijn dat het systeem van onduidelijkheid en interpreteerbaarheid, zoals het sedert talloze jaren bestaat wat betreft de toepassing van de nomenclatuur, nu ook zou worden uitgebreid tot de toepassing van de bepalingen van art. 73. Randbeschouwing. De overheid is op dit ogenblik niet in staat om tijdig en systematisch een up to date versie van de
nomenclatuur te bezorgen aan de zorgverleners, laat staan van de randreglementering die er rechtstreeks of onrechtstreeks op van toepassing is. Zo de artsen morgen konden beschikken over een adequaat elektronisch bijgewerkt administratief werkinstrument waarvan de correctheid gegarandeerd wordt door de overheid (NB:het computerpark van de medische sector zou zienderogen uitbreiden), dan zou de controle op die conformiteit al een heel stuk eerlijker zijn. De “frustraties” van de DGC zouden echter nog groter worden dan zoals beschreven in de Memorie van toelichting van voormelde wet van 14.01.2002, want 99,99% van de artsen wensen niet liever dan precieze regels correct na te leven. Het lijkt bijzonder verontrustend dat men morgen dezelfde “filosofie” (desinformatie om te kunnen sanctioneren) ook nog toepasselijk zou willen stellen op het juridisch kader van art 73. b) Art. 141 §4 voorziet dat de DGEC beroep kan doen op het advies van
zelfgekozen (individuele) experten. Deze bepaling, zoals ze nu geformuleerd is heeft onredelijke gevolgen:
Bijgevolg is het advies van zelfgekozen individuele experten steeds
subjectief en beïnvloedbaar :
c) Luidens art 141 §6,b) en laatste lid, geven de overschrijdingen van het normgedrag, die aldus onmiddellijk beschouwd worden als een overtreding van de wet (in casu art 73), en bijgevolg als “ten onrechte betaalde prestaties”, aanleiding tot bestraffing met een boete die bovendien kan oplopen tot 150% van de waarde van de “ten onrechte betaalde verstrekkingen”. Er moet duidelijk gesteld worden dat de "norm" slechts kan ingeroepen worden tegen een arts
vanaf het ogenblik dat ze is kenbaar gemaakt aan de betrokken
beroepsgroep. Zoniet leidt het rechtssysteem naar de mogelijkheid van “intuitu personae” gerichte enquêtes, vaststellingen en sancties. Het is een koud kunstje om een welbepaalde verstrekker via zo'n systeem professioneel te kelderen ondermeer geholpen door het eventueel voor onbeperkte duur (zie verder) onder "monitoring" plaatsen. 2. De nog steeds onstrafbare aansporingen door ziekenhuisbeheerders Art 73,§1,3e 1id was bedoeld om de aansporing tot overconsumptie vanwege de ziekenhuisbeheerder ook sanctioneerbaar te maken. De gewijzigde ontwerptekst sluit dit iets minder uit dan de huidige wettekst. Maar is de ziekenhuisbeheerder of de persoon die hem vertegenwoordigt strafbaar? Misschien gaat het ontwerp er dus van uit dat een overtreding van art 73,§1,3e lid iets denkbeeldigs is. Recentelijk vroeg de beheerder van een ziekenhuis, in het kader van de problematiek van het nieuw financieringssysteem van de ziekenhuizen, aan de medische raad te onderzoeken op welke wijze "slecht scorende" artsen "geresponsabiliseerd" zouden kunnen worden. De responsabilisering die de ziekenhuisbeheerder hier bedoelde betreft nochtans een responsabilisering die net de tegenovergestelde finaliteit heeft van deze die uw RIZIV -maatregelen beogen. Stel dat die beheerder zoiets schriftelijk stelt. Of stel dat hij een previsionele begroting van de verschillende ziekenhuisdiensten opstelt waarin manifest verhoogde (of gehandhaafde, als er al overconsumptie bestaat) prestatievolumes worden vooropgesteld. Begaat hij dan geen inbreuk tegen art 73,§1,3e lid? Volgens de huidige tekst helemaal niet: de letter van de wet zegt immers dat hijzelf geen nutteloze of overbodige verstrekkingen laat uitvoeren. Hij port wel zorgverleners aan om een overtreding te begaan en is dus ergens het "brein" van de overtreding, maar zelfs een soort "medeplichtigheid" is in de huidige tekst onbeteugelbaar. De beslisser of de ondertekenaar van de beslissing is bovendien niet persoonlijk aansprakelijk. Hij handelt immers in het kader van een mandaat namens een rechtspersoon uitbater van een instelling. Wij vragen U dan ook de (persoonlijke) verantwoordelijkheid en de sancties duidelijk te bepalen. 3. Een overdreven en onaanvaardbare cumul van sancties. Men is er steeds van uitgegaan dat de terugbetaling van ten onrechte uitgekeerde verstrekkingen geen sanctie is, maar een regularisatie. ln dezelfde zin moet men ervan uitgaan dat de arts die per vergissing een inbreuk pleegt, niet kan verondersteld worden te kwader trouw te hebben gehandeld. Er is dan ook geen reden om meteen een boete op te leggen noch dat die bovendien proportioneel zou zijn met het terug te betalen bedrag. De ziekenhuisarts die een inbreuk pleegt zal het volledige bedrag van de overtreding over de twee voorbije jaren moeten terugbetalen, of indien de bedragen geïnd werden voor rekening van de instelling, het aandeel dat de beheerder hem heeft doorgestort.( maar art. 137 van de gewijzigde ziekenhuiswet is nog heel wat minder billijk!). In elk geval betreft het bedragen waarop de arts belastingen heeft betaald. Bovendien heeft hij hoe dan ook voor de omstreden verstrekkingen de kosten aan het ziekenhuis vergoed overeenkomstig art 140 van de ziekenhuiswet. Het is zelfs niet uitgesloten dat de (onstrafbare) ziekenhuisbeheerder op grond van interne regelingen erin slaagt om ook het aldus ontstane budgettair verlies te verhalen op de arts, onder de noemer "kosten die veroorzaakt werd door geneeskundige verstrekkingen en die niet vergoed worden door het ziekenhuisbudget". Op zich kan dit ruimschoots als een zware sanctie beschouwd worden. Een nog bijkomende boete is onaanvaardbaar. Daarom menen wij dat volgende regeling billijk is: a) Wat de overtredingen van § 6.a) en b) betreft:
Het onderscheid tussen inbreuken §6,a) en §6,b) is soms subtiel. Soms gaat de DGC er van uit dat een prestatie die niet conform de voorschriften werd verricht, ook kan beschouwd worden als niet uitgevoerd. We vermoeden (doch zouden het graag in de tekst verduidelijkt zien) dat §6,a) doelt op de situatie waarbij een medische handeling niet werd uitgevoerd doch toch een nomenclatuurverstrekking werd aangerekend. Anderzijds is het belangrijk dat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen overtredingen te goeder trouw (vergissingen, verkeerde toepassingen, foute interpretaties,. . .) en deze te kwader trouw. Vb : wanneer een arts of instelling een bepaalde verstrekking een tweede maal aanrekent voor één en dezelfde medische handeling bij eenzelfde patiënt, dan kan dat als een administratieve vergissing beschouwd worden (NB: de regels inzake facturatie op magnetische drager houden trouwens rekening met een soort foutenmarge). b) Wat de inbreuken bedoeld onder §6. c) betreft :
c) Wat de inbreuken onder § 6. d) betreft: Een sanctie, welke ook, is in elk geval onverantwoord wanneer de in gebreke blijvende Bijgevolg is de meest zinvolle oplossing dat de zorgverlener de verstrekking mag attesteren mits hij de voorschrijver verzocht heeft hem een correctiedocument te bezorgen.
De in het ontwerp voorgestelde regeling legt de zorgverlener een boete op om de doodeenvoudige reden dat
de patiënt zich aanmeldt met een administratief onvolledig voorschrift (dat luidens de regels van de ZIV alleen onder de verantwoordelijkheid van de voorschrijver wordt opgesteld), en de arts de nodige zorgen heeft toegediend overeenkomstig de wettelijke bepalingen inzake de geneeskundepraktijk (KB nr78) in het belang van de patiënt, en deze ook geattesteerd heeft overeenkomstig art 53 van de GVU-wet. Waar is de overtreding? Hoe kan de zorgverlener anders handelen ? Hij kan immers het voorschrift niet zelf vervolledigen (want hij is niet de voorschrijver). Er zijn dus maar twee oplossingen: ofwel de zorgen aan de patiënt weigeren en deze laatste terugsturen naar de voorschrijver (d.w.z. vertraging van de zorgverlening + risico van zorgverzaking), ofwel de zorgverlener verplichten een correctiedocument te vragen aan de voorschrijver. De laatste oplossing is ongetwijfeld de meest zinvolle. De voorgestelde regeling kan zonder moeite op dezelfde wijze toegepast worden zowel voor het voorschrijven van geneesmiddelen als voor het voorschrijven van geneeskundige onderzoeken. 4. Het onder "monitoring" plaatsen a) Waarom meteen en uitsluitend de volledige praktijk? Dit is niet in verhouding tot de "overtreding". Ofwel is het onder monitoring plaatsen iets dat uitsluitend kan gebeuren bij zorgverleners die op breedschalige wijze de normale praktijk overschrijden; d.w.z. voor verscheidene types van verstrekkingen tegelijk (en dan moet dat duidelijk in de tekst vermeld worden), ofwel betreft het een welbepaalde prestatie of type van prestaties behorend tot zijn discipline (en dan moet uitdrukkelijk gesteld dat
alleen dit praktijkgedeelte onder monitoring wordt geplaatst). In de huidige formulering wordt de arts vervolgd - want de hier beschreven "monitoring" is hoe dan ook een vorm van zeer intensieve “opvolging”, dus
vervolging, - niet alleen voor overtredingen, doch ook voor feiten waarvoor hem generlei schuld treft. b) Waarom een "minimale" termijn? Een maximale termijn van drie à zes maanden zou minstens moeten volstaan. Niets verhindert immers de DGEC om later een nieuw onderzoek in te stellen op basis van kwantitatieve gegevens en een nieuwe procedure te starten (zoals trouwens in de daarop volgende alinea's wordt gezegd). Hier wordt in feite gesteld dat door de DGEC iemand voor onbepaalde duur, desnoods levenslang, onder monitoring kan geplaatst worden, of tot hij noodgedwongen zijn praktijk stopzet. Dit is geen normale vorm van vervolging meer en is de mensenrechten onwaardig. Wij hopen, Mijnheer de Minister, dat u met deze bemerkingen zult willen rekening houden en danken u bij voorbaat voor uw aandacht. Hoogachtend,
|
||||||||
|
Copyright © VBS, 1997-2004 |
|
Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp |