Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

Nr 8  -  November 2002

Vorige artikel VorigeInhoud van dit nummer InhoudVolgende artikel Volgende

 

ONTWERP INZAKE INDIVIDUELE RESPONSABILISERING


Aan de Heer F. V ANDENBROUCKE 
Minister van Sociale Zaken en Pensioenen
Wetstraat 62 
1040 Brussel 

Brussel, 19 september 2002

Mijnheer de Minister, 

Betreft: ontwerp inzake individuele responsabilisering 

Wij namen kennis van uw ontwerp inzake de individuele responsabilisering van de zorgverleners zoals dit einde juli jl. werd aangepast. Hierbij bezorgen wij u een aantal bemerkingen en suggesties betreffende deze ontwerptekst, teneinde tot een zo evenwichtig mogelijke en eerlijke regeling te komen. Wij hebben weliswaar de indruk dat sommige bepalingen ten onrechte zijn beïnvloed door een ingesteldheid die ook beschreven werd in de memorie van toelichting van de wet van 14 januari 2002 (BS 22.02.2002) houdende maatregelen inzake gezondheidszorg (frustratie van de Controle- geneesheren). 

1. De wijze waarop bepaald wordt wat een overtreding van art 73 van de GVU-wet is. 

a) Binnen een bepaalde populatie vertoont een minderheid altijd een gedragsdeviatie t.o.v. het mediaangedrag. Dit heeft twee onvermijdelijke gevolgen 

  • de betrokken arts weet niet vooraf dat zijn gedrag excessief of afwijkend is, zolang de statistische situatie niet wordt kenbaar gemaakt; hij handelt zonder te weten dat hij strafbaar is. 

  • het invoeren van een relatieve gedragsnorm leidt tot een progressief steeds lagere herbedding van het mediaangedrag en de maximaal aanvaardbare afwijking . 

Het wetsontwerp voorziet geen verplichting voor de Dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle (DGEC), noch voor het Comité van de DGEC, noch voor de Dienst geneeskundige verzorging, om de normwaarde of de limiet van het strafbaar gedrag vooraf kenbaar te maken aan de betrokken zorgverstrekkers. 

Punt 1° van het nieuwe art. 139 van de GVU-wet is ontoereikend wat de informatieplicht betreft: het "verspreiden van informatie " (onbepaald) zou minstens moeten verduidelijkt worden met "verspreiden van de nodige informatie". 

Doet men dat niet dan stelt men een systeem in waarbij de overtreder niet mag weten dat hij een overtreding begaat en waarbij de vervolger eigenlijk zelf evalueert wat als een overtreding wordt beschouwd, zonder dat er objectief vaststaande maatstaven bestaan voor die evaluatie. Vereisbaarheid vergt ook duidelijkheid. Het zou fundamenteel oneerlijk zijn dat het systeem van onduidelijkheid en interpreteerbaarheid, zoals het sedert talloze jaren bestaat wat betreft de toepassing van de nomenclatuur, nu ook zou worden uitgebreid tot de toepassing van de bepalingen van art. 73. 

Randbeschouwing. De overheid is op dit ogenblik niet in staat om tijdig en systematisch een up to date versie van de nomenclatuur te bezorgen aan de zorgverleners, laat staan van de randreglementering die er rechtstreeks of onrechtstreeks op van toepassing is. Zo de artsen morgen konden beschikken over een adequaat elektronisch bijgewerkt administratief werkinstrument waarvan de correctheid gegarandeerd wordt door de overheid (NB:het computerpark van de medische sector zou zienderogen uitbreiden), dan zou de controle op die conformiteit al een heel stuk eerlijker zijn. De “frustraties” van de DGC zouden echter nog groter worden dan zoals beschreven in de Memorie van toelichting van voormelde wet van 14.01.2002, want 99,99% van de artsen wensen niet liever dan precieze regels correct na te leven. 
Ondanks aanzienlijke inspanningen om aan de situatie te verhelpen, moet men vaststellen dat het ideaal van een duidelijke en sluitende nomenclatuur nog ver buiten bereik ligt. De teksten zijn meestal compromissen tussen beoefenaars en ziekenfondsen, met zijdelingse inbreng van uw kabinet en de DGC. Dientengevolge worden ze ofwel niet juridisch sluitend, ofwel niet medisch adequaat opgesteId. Artsen hebben van juridische aspecten geen kaas gegeten. Juristen vertalen medische handelingen alsof het over rechtsprocedures gaat.. Meestal ontbreekt geijkt taalgebruik. Dat bestond nochtans, jaren geleden. Slechts enkele mensen kennen het nog, maar ze gaan ten onder in de aanhoudende vloed van nomenclatuurwijzigingen. Men schrijft, zonder het te beseffen, dingen die men niet bedoelde en geeft er draagwijdtes aan die men niet voorzag. Soms zitten er twee nomenclaturen naast mekaar in dezelfde maatregelen. Een vruchtbare voedingsbodem voor vitterijen, onjuiste of sibillijnse informatie en, arbitraire vervolgingen. Nauwelijks komt een nieuwe wijziging in het Staatsblad of de vragen en onduidelijkheden stapelen zich op. De Dienst geneeskundige verzorging (DGV) tracht te verduidelijken, tot plots de DGC begint te spelen met het idee om het nét omgekeerd te stellen, met allerhande zelfgeproduceerde interpretaties die meer op spitsvondigheden berusten dan op het belang van een medisch-redelijke toepassing van de nomenclatuur. Geen mens in de sector durft het nog aan om een vraag te stellen aan de administratie, want hij loopt meteen een grote kans om zich een boel miserie op de hals te halen. Ambtenaren van de DGV durven nog nauwelijks telefonisch vragen te beantwoorden, want een pasklaar antwoord is dikwijls niet voorhanden, of loopt kans om vanuit hogere (of andere) sferen achteraf weer tegengesproken te worden. Formele DGV-toelichtingen worden dikwijls door meestal lokale, DGC- intervenianten als waardeloos en onbestaand verworpen. Wat eerst mocht wil men later retroactief verbieden. Niet omdat er een "misbruik"werd ontdekt. Neen. Omdat men strafbare feiten wil vinden. Waar een (on-)wil is, is een weg. 

Het lijkt bijzonder verontrustend dat men morgen dezelfde “filosofie” (desinformatie om te kunnen sanctioneren) ook nog toepasselijk zou willen stellen op het juridisch kader van art 73. 

b) Art. 141 §4 voorziet dat de DGEC beroep kan doen op het advies van zelfgekozen (individuele) experten. Deze bepaling, zoals ze nu geformuleerd is heeft onredelijke gevolgen:

  • het in de eerste plaats evident dat “objectieve” en “neutrale”, door de DGEC gekozen experten een contradictio in terminis is.

  • het betreft dus een a posteriori bepaling van het normgedrag (en dus ook van de overtreding) op basis van een (a posteriori) "advies", zonder dat de overtreder kan weten dat hij een overtreding begaan heeft. 

  • de deskundigen zijn zelf zorgverleners die zelf vatbaar zijn voor vervolgingen door de DGEC. Ze zijn dus niet alleen zelfgekozen door de DGEC maar bovendien ook "beïnvloedbaar" d.w.z het "advies" dreigt de klassieke repliek op een retorische vraag te worden, een gewoon "napraten" van wat de DGEC wenst als antwoord te krijgen .Het is duidelijk dat een onafhankelijk en vrij geformuleerd deskundig advies in dergelijke situatie ondenkbaar is. 

  • experten benaderen dit soort problemen steeds vanuit hun eigen werkervaring, werkmilieu en technische middelen. Quid bvb. wanneer een universitair expert het veelvuldig gebruik van een goedkope techniek verwerpt, precies omdat hij meer vertrouwd is met misschien meer performante doch veel duurdere nieuwe technieken ? 

Bijgevolg is het advies van zelfgekozen individuele experten steeds subjectief en beïnvloedbaar :

  • de objectivering van het advies kan maar verwezenlijkt worden via een toetsing door een medisch bevoegd orgaan dat een brede weerspiegeling van het werkmilieu van desbetreffende discipline vertegenwoordigt . 

  • de tegenstelbaarheid mag geen retroactief effect hebben. 

  • de tegenstelbare "norm" moet absoluut a priori medegedeeld worden aan alle betrokken artsen

c) Luidens art 141 §6,b) en laatste lid, geven de overschrijdingen van het normgedrag, die aldus onmiddellijk beschouwd worden als een overtreding van de wet (in casu art 73), en bijgevolg als “ten onrechte betaalde prestaties”, aanleiding tot bestraffing met een boete die bovendien kan oplopen tot 150% van de waarde van de “ten onrechte betaalde verstrekkingen”. 
Bovenop dit bedrag kan ook de terugbetaling van de door de "ingevoerde" norm "ten onrechte betaald” geworden verstrekkingen gevorderd worden, gelet op de dubbelzinnigheid van §6,b) (verstrekkingen die niet conform zijn met deze wet of haar uitvoeringsbesluiten). Er wordt immers wel uitsluitsel gegeven wat de administratieve "overtredingen" bedoeld bij §6,c) en d) betreft, doch niet voor de vaststellingen in het kader van art. 73. Deze cumul van sancties is onaanvaardbaar en gedisproportioneerd, temeer daar de norm niet vooraf gekend is door de zorgverlener. De terugvordering zou dus hoogstens effect mogen hebben voor de verstrekkingen die in overschrijding uitgevoerd worden vanaf het ogenblik dat de norm is kenbaar gemaakt aan de zorgverleners

Er moet duidelijk gesteld worden dat de "norm" slechts kan ingeroepen worden tegen een arts vanaf het ogenblik dat ze is kenbaar gemaakt aan de betrokken beroepsgroep. Zoniet leidt het rechtssysteem naar de mogelijkheid van “intuitu personae” gerichte enquêtes, vaststellingen en sancties. Het is een koud kunstje om een welbepaalde verstrekker via zo'n systeem professioneel te kelderen ondermeer geholpen door het eventueel voor onbeperkte duur (zie verder) onder "monitoring" plaatsen.

2. De nog steeds onstrafbare aansporingen door ziekenhuisbeheerders

Art 73,§1,3e 1id was bedoeld om de aansporing tot overconsumptie vanwege de ziekenhuisbeheerder ook sanctioneerbaar te maken. De gewijzigde ontwerptekst sluit dit iets minder uit dan de huidige wettekst. Maar is de ziekenhuisbeheerder of de persoon die hem vertegenwoordigt strafbaar? 
Helemaal niet. Het nieuwe art 141, §2, 1lid, 4e al. zegt dat alleen de zorgverlener wiens praktijk een systematische afwijking vertoont...(etc) verondersteld wordt de bepalingen van art 73 § 1, 2e lid (dus niet derde lid!) te hebben overtreden. 

Misschien gaat het ontwerp er dus van uit dat een overtreding van art 73,§1,3e lid iets denkbeeldigs is. Recentelijk vroeg de beheerder van een ziekenhuis, in het kader van de problematiek van het nieuw financieringssysteem van de ziekenhuizen, aan de medische raad te onderzoeken op welke wijze "slecht scorende" artsen "geresponsabiliseerd" zouden kunnen worden. De responsabilisering die de ziekenhuisbeheerder hier bedoelde betreft nochtans een responsabilisering die net de tegenovergestelde finaliteit heeft van deze die uw RIZIV -maatregelen beogen. 

Stel dat die beheerder zoiets schriftelijk stelt. Of stel dat hij een previsionele begroting van de verschillende ziekenhuisdiensten opstelt waarin manifest verhoogde (of gehandhaafde, als er al overconsumptie bestaat) prestatievolumes worden vooropgesteld. Begaat hij dan geen inbreuk tegen art 73,§1,3e lid? Volgens de huidige tekst helemaal niet: de letter van de wet zegt immers dat hijzelf geen nutteloze of overbodige verstrekkingen laat uitvoeren. Hij port wel zorgverleners aan om een overtreding te begaan en is dus ergens het "brein" van de overtreding, maar zelfs een soort "medeplichtigheid" is in de huidige tekst onbeteugelbaar. De beslisser of de ondertekenaar van de beslissing is bovendien niet persoonlijk aansprakelijk. Hij handelt immers in het kader van een mandaat namens een rechtspersoon uitbater van een instelling. 

Wij vragen U dan ook de (persoonlijke) verantwoordelijkheid en de sancties duidelijk te bepalen. 
Het ligt voor de hand dat op basis van duidelijke gedragsnormen en met een duidelijke (niet retroactieve) tegenstelbaarheid, deze laatste ook zonder enige moeite kan toepasselijk gesteld worden ten opzichte van iedereen, inclusief beheerders en andere derden. Vermits het door de wet van 22 augustus 2002 houdende de maatregelen inzake gezondheidszorg gewijzigde artikel 137 van de ziekenhuiswet, ten gevolge van de onbillijke 75 % artsen en 25 % beheerder recuperatieregel, in feite de beheerder nog meer tot druk op zijn artsen aanspoort, is de sanctioneerbaarheid van de beheerder en zijn aangestelden essentieel. Maar blijkbaar heeft men veel meer schroom om de beheerder aan te pakken dan de artsen!

3. Een overdreven en onaanvaardbare cumul van sancties. 

Men is er steeds van uitgegaan dat de terugbetaling van ten onrechte uitgekeerde verstrekkingen geen sanctie is, maar een regularisatie. ln dezelfde zin moet men ervan uitgaan dat de arts die per vergissing een inbreuk pleegt, niet kan verondersteld worden te kwader trouw te hebben gehandeld. Er is dan ook geen reden om meteen een boete op te leggen noch dat die bovendien proportioneel zou zijn met het terug te betalen bedrag. 

De ziekenhuisarts die een inbreuk pleegt zal het volledige bedrag van de overtreding over de twee voorbije jaren moeten terugbetalen, of indien de bedragen geïnd werden voor rekening van de instelling, het aandeel dat de beheerder hem heeft doorgestort.( maar art. 137 van de gewijzigde ziekenhuiswet is nog heel wat minder billijk!). In elk geval betreft het bedragen waarop de arts belastingen heeft betaald. Bovendien heeft hij hoe dan ook voor de omstreden verstrekkingen de kosten aan het ziekenhuis vergoed overeenkomstig art 140 van de ziekenhuiswet. Het is zelfs niet uitgesloten dat de (onstrafbare) ziekenhuisbeheerder op grond van interne regelingen erin slaagt om ook het aldus ontstane budgettair verlies te verhalen op de arts, onder de noemer "kosten die veroorzaakt werd door geneeskundige verstrekkingen en die niet vergoed worden door het ziekenhuisbudget". 

Op zich kan dit ruimschoots als een zware sanctie beschouwd worden. Een nog bijkomende boete is onaanvaardbaar. Daarom menen wij dat volgende regeling billijk is:

a) Wat de overtredingen van § 6.a) en b) betreft: 

  • eerste overtreding m.b.t een bepaalde prestatie: terugbetaling + vermaning 

  • recidief van dezelfde overtreding na definitieve uitspraak: terugbetaling + boete 

Het onderscheid tussen inbreuken §6,a) en §6,b) is soms subtiel. Soms gaat de DGC er van uit dat een prestatie die niet conform de voorschriften werd verricht, ook kan beschouwd worden als niet uitgevoerd. We vermoeden (doch zouden het graag in de tekst verduidelijkt zien) dat §6,a) doelt op de situatie waarbij een medische handeling niet werd uitgevoerd doch toch een nomenclatuurverstrekking werd aangerekend. 

Anderzijds is het belangrijk dat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen overtredingen te goeder trouw (vergissingen, verkeerde toepassingen, foute interpretaties,. . .) en deze te kwader trouw. 

Vb : wanneer een arts of instelling een bepaalde verstrekking een tweede maal aanrekent voor één en dezelfde medische handeling bij eenzelfde patiënt, dan kan dat als een administratieve vergissing beschouwd worden (NB: de regels inzake facturatie op magnetische drager houden trouwens rekening met een soort foutenmarge). 
Wanneer echter door de facturatie dienst van een ziekenhuis een bepaalde verstrekking voor dezelfde patiënt systematisch tweemaal wordt aangerekend, en dit over een periode van meer dan twee facturatie periodes en voor alle verstrekkingen van een welbepaalde soort, dan zou de DGC al bijzonder naïef moeten zijn om ook dit als een "vergissing" te beschouwen. Men heeft immers gewoon systematisch bepaalde prestaties dubbel gefactureerd om op eenvoudige wijze de omzet te verdubbelen of om te voldoen aan bepaalde voorwaarden inzake financiering of erkenning. In dat geval van kwader trouw is een boete wel verantwoord. 

b) Wat de inbreuken bedoeld onder §6. c) betreft : 

  • eerste vaststelling betreffende een niet-conform document : vermaning 

  • recidief van dezelfde vaststelling na vermaning: boete voor elk niet conform document tenzij een correctiedocument werd verstrekt aan de zorgverlener die hierom gevraagd heeft. 

c) Wat de inbreuken onder § 6. d) betreft: 

Een sanctie, welke ook, is in elk geval onverantwoord wanneer de in gebreke blijvende 
voorschrijver niet minstens een vermaning heeft gekregen. Bovendien moet men ermee rekening houden dat de uitvoerende verstrekker, gelet op zijn professionele verantwoordelijkheid, ertoe gehouden is de voorgeschreven zorgen te verlenen en, luidens art 53 van de GVU-wet verplicht is een verzorgingsattest af te leveren. Het doel van de bepalingen kan niet zijn de verwachte zorgverlening aan de patiënt te weigeren, dit om de louter administratieve tekortkomingen van een voorschrift. 

Bijgevolg is de meest zinvolle oplossing dat de zorgverlener de verstrekking mag attesteren mits hij de voorschrijver verzocht heeft hem een correctiedocument te bezorgen. 

  • eerste vaststelling : attestering zonder conform document en zonder aanvraag van de verstrekker om correctiedocument van de voorschrijver : vermaning. 

  • recidief: boete behalve voor de documenten waarvoor een correctiedocument werd gevraagd aan de voorschrijver (schriftelijk bewijs, fax of e-mail bewaard door de verstrekker).

De in het ontwerp voorgestelde regeling legt de zorgverlener een boete op om de doodeenvoudige reden dat de patiënt zich aanmeldt met een administratief onvolledig voorschrift (dat luidens de regels van de ZIV alleen onder de verantwoordelijkheid van de voorschrijver wordt opgesteld), en de arts de nodige zorgen heeft toegediend overeenkomstig de wettelijke bepalingen inzake de geneeskundepraktijk (KB nr78) in het belang van de patiënt, en deze ook geattesteerd heeft overeenkomstig art 53 van de GVU-wet. Waar is de overtreding? Hoe kan de zorgverlener anders handelen ? Hij kan immers het voorschrift niet zelf vervolledigen (want hij is niet de voorschrijver). Er zijn dus maar twee oplossingen: ofwel de zorgen aan de patiënt weigeren en deze laatste terugsturen naar de voorschrijver (d.w.z. vertraging van de zorgverlening + risico van zorgverzaking), ofwel de zorgverlener verplichten een correctiedocument te vragen aan de voorschrijver. De laatste oplossing is ongetwijfeld de meest zinvolle. 

De voorgestelde regeling kan zonder moeite op dezelfde wijze toegepast worden zowel voor het voorschrijven van geneesmiddelen als voor het voorschrijven van geneeskundige onderzoeken. 

4. Het onder "monitoring" plaatsen

a) Waarom meteen en uitsluitend de volledige praktijk? Dit is niet in verhouding tot de "overtreding". 

Ofwel is het onder monitoring plaatsen iets dat uitsluitend kan gebeuren bij zorgverleners die op breedschalige wijze de normale praktijk overschrijden; d.w.z. voor verscheidene types van verstrekkingen tegelijk (en dan moet dat duidelijk in de tekst vermeld worden), ofwel betreft het een welbepaalde prestatie of type van prestaties behorend tot zijn discipline (en dan moet uitdrukkelijk gesteld dat alleen dit praktijkgedeelte onder monitoring wordt geplaatst). 

In de huidige formulering wordt de arts vervolgd - want de hier beschreven "monitoring" is hoe dan ook een vorm van zeer intensieve “opvolging”, dus vervolging, - niet alleen voor overtredingen, doch ook voor feiten waarvoor hem generlei schuld treft. 

b) Waarom een "minimale" termijn? 

Een maximale termijn van drie à zes maanden zou minstens moeten volstaan. Niets verhindert immers de DGEC om later een nieuw onderzoek in te stellen op basis van kwantitatieve gegevens en een nieuwe procedure te starten (zoals trouwens in de daarop volgende alinea's wordt gezegd). 

Hier wordt in feite gesteld dat door de DGEC iemand voor onbepaalde duur, desnoods levenslang, onder monitoring kan geplaatst worden, of tot hij noodgedwongen zijn praktijk stopzet. Dit is geen normale vorm van vervolging meer en is de mensenrechten onwaardig. 

Wij hopen, Mijnheer de Minister, dat u met deze bemerkingen zult willen rekening houden en danken u bij voorbaat voor uw aandacht. 

Hoogachtend,

Prof. J. GRUWEZ
Voorzitter


 

Vorige artikel VorigeInhoud van dit nummer InhoudVolgende artikel Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp