|
Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp |
![]() |
|
Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten |
|
|
|
|
Nr 7 - Oktober 2002 |
||
|
|
||
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). -
Behoeftenstudies van de Planningscommissie tonen aan dat voor de periode
2000-2020 de vraag naar geneesheren-specialisten met 12,5 procent zal
toenemen. Dat kan worden verklaard door de bevolkingsaangroei, de toename
van nieuwe pathologieën en technologieën alsook de stijging van het
aantal ziekenhuisopnames. In de periode 1980-1998 bedroeg die stijging
35%. Voorts verminderen de arbeidsduur en de werkkracht ingevolge de
vervrouwelijking van het artsenberoep, de mentaliteitsveranderingen bij de
jonge artsen en de vergrijzing van het artsenkorps. Het aantal
kandidaat-specialisten zal dus moeten toenemen om blijvend aan de
groeiende medische zorgverlening te kunnen voldoen. Bovendien is er de slechte nomenclatuurregeling voor
specialisatierichtingen met hoofdzakelijk intellectuele prestaties, zoals
raadplegingen, bezoeken, adviezen aan andere afdelingen, toezicht en
medische wachtdiensten, en weinig technische handelingen, zoals klinische
biologie, radiologie, interventies. Bij veel kandidaat-specialisten groeit
dan ook stilaan een trend om niet langer spontaan voor die takken te
kiezen. Specifiek in die sectoren dreigt dan ook een schaarste. Dat geldt
vooral voor de richtingen pediatrie, psychiatrie, reumatologie en
geriatrie. Ook Kind en Gezin vreest binnenkort met een
artsentekort te worden geconfronteerd. Momenteel beschikt die organisatie
over 330 vaste artsen, die samen voor 471.000 raadplegingen per jaar
instaan. Onlangs verklaarde de administrateur-generaal van Kind en Gezin
in de pers: "Maar nu gebeurt het soms al dat een consultatiebureau
naar twintig artsen moet bellen vóór er een invaller beschikbaar
is". In Wallonië is de toestand nu al uit de hand gelopen en werd er
voor 1 juli een stakingsaanzegging ingediend. Als we zulke toestanden in
Vlaanderen willen vermijden, zijn er maatregelen nodig. Tijdens de zitting van de Senaatscommissie heeft
collega Jan REMANS (VLD) uitvoerig onze standpunten toegelicht en
verdedigd (cfr. pagina 15). Alhoewel de Minister van Volksgezondheid,
Mevr. M. AELVOET de aldus uiteengezette onderliggende problematiek verder
ontweek, gaf ze uitdrukkelijk toe dat ons land geenszins te kampen heeft
met een tekort aan artsen, zeker niet met een tekort aan specialisten.
Hierna nemen we de tussenkomst van de toenmalige Minister over: Mevrouw Magda Aelvoet, minister van
Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Aangezien de vragen van
de heer Remans niet aangekondigd waren, kan ik hem geen gedocumenteerd
antwoord geven. Mevrouw De Schamphelaere vroeg of de regering ook in
de toekomst de contingentering als richtlijn zal aanhouden. De regering
heeft niet op een blinde manier getallen vastgelegd; eerst was er een
daling, nu stijgt het aantal weer. Het koninklijk besluit dat op 14 juni 2002 in het
Belgisch Staatsblad is gepubliceerd, stipuleert dat het aantal artsen dat
tot de verdere opleiding tot specialist of tot de huisartsgeneeskunde
wordt toegelaten voor het hele land wordt vastgelegd op 700, te weten 420
voor de Vlaamse en 280 voor de Franse Gemeenschap. De aantallen werden
vastgelegd tot en met het jaar 2011. De verdere opdeling van deze aantallen voor de
onderscheidene specialismen en huisartsen werd vastgelegd voor de jaren
2004, 2005 en 2006. Voor de daaropvolgende jaren werd nog geen
verdeelsleutel vastgelegd, ook al omdat we rekening willen houden met de
evolutie op het terrein. Deze vastlegging is gebaseerd op basis van het
advies van de planningscommissie, die over uitgebreide documentatie
beschikt inzake behoeftestudies en gerealiseerde gebruikscijfers, waarnaar
mevrouw De Schamphelaere verwees. Ze weet echter zeer goed dat er veel
discussies zijn over de interpretaties van bepaalde behoeftestudies.
Bovendien is het voorbarig om de toename van het aantal ziekenhuisopnames
naar de toekomst te extrapoleren op basis van cijfers uit het verleden. Een eventuele schaarste in een bepaalde deelsector
kan geen voldoende signaal zijn om de contingentering aan te passen. Dit
zou getuigen van een enorme naïviteit. Het zou immers kunnen leiden tot
een versterking van de qua arbeidsklimaat of financiën meest
aantrekkelijke disciplines, waarvan we er nu reeds teveel hebben. Binnen de artsenberoepen zijn bepaalde disciplines
inderdaad minder aantrekkelijk geworden, onder meer door de gebrekkige
honorering van de zogenaamde `intellectuele acte'. Ik heb dit probleem
reeds herhaalde malen samen met collega Frank Vandenbroucke aangekaart en
recentelijk werd in de medico-mut een aantal belangrijke corrigerende
maatregelen genomen om deze scheeftrekking te herstellen. Verleden jaar hebben we de wettelijke basis gecreëerd
om bepaalde disciplines waar manifeste schaarste heerst, buiten de
contingentering te plaatsen. Zodoende wordt in bovenvermeld koninklijk
besluit een uitzondering gemaakt voor de kinder- en jeugdpsychiatrie a
rato van 20 opleidingsplaatsen per jaar en dit tot en met het jaar 2010.
We hebben vastgesteld dat daar nu reeds een tekort is. Deze maatregel moet
volstaan om de dreigende tekorten in deze subsector op te vangen. Ook de
gerechtelijke geneeskunde, de arbeidsgeneeskunde en de datamanager vallen
buiten de contingenteringsaantallen. Het antwoord op de vraag of de regering overweegt
een specifiek gedifferentieerde contingentering uit te werken voor
richtingen waar het aanbod effectief problematisch wordt, is ronduit
positief indien op dat vlak problemen bestaan. We hebben dat reeds gedaan
door de kinder- en jeugdpsychiatrie buiten het contingent te plaatsen. Toch wil ik wijzen op een addertje onder het gras.
Deze afwijkingen, of noem het bijsturingen, moeten tot een minimum worden
beperkt, zo niet zullen er niet voldoende kandidaten meer zijn om
mogelijke substantiële laattijdige wijzigingen op te vangen. Ik wil toch even blijven stilstaan bij de
onderliggende deregulerende mechanismen. Mevrouw De Schamphelaere haalt
zelf aan dat bepaalde disciplines achtergesteld of minder attractief zijn
door de werking van de financieringsmechanismen in de nomenclatuur. We
moeten ons afvragen of de tijd niet stilaan rijp is om complementaire
financieringsmechanismen te creëren, die deze nomenclatuurgewijze
benadering corrigeren. Een multidisciplinaire aanpak, praktijkorganisatie,
georganiseerde beschikbaarheid, overleg en peer review winnen aan belang.
Daartegenover moet honorering staan. Financiële incentives en
verloningssystemen die de druk alleen op de prestatiegeneeskunde leggen,
zullen tot verdere ontsporing leiden. Bijkomende financieringsmechanismen
komen vooral ten goede aan de jonge artsen die meer levenskwaliteit,
deeltijds werk en dergelijke verwachten. In die zin is de contingentering voorlopig een goed
instrument. We houden het soepel door telkens in blokken van drie jaar te
werken. Bovendien hebben we eindelijk een kadaster van de
gezondheidsberoepen. Daartegen hebben bepaalde artsensyndicaten zich lange
tijd verzet. Ze interpreteerden dat als een controle op hun inkomsten,
hoewel we alleen in kaart willen brengen wie hoeveel van zijn tijd
besteedt aan geneeskundige zorgen en dergelijke, zodat dit mee kan worden
verrekend in de verfijning van de planning, die dagelijks wordt opgevolgd. Ik ben het eens met de heer Remans dat ons land in
vergelijking met andere landen niet kampt met een tekort aan artsen, zeker
niet met een tekort aan specialisten. Uiteraard bestaat er een verschil
tussen de gebieden, wat trouwens in het mechanisme van de contingentering
opgenomen is. De contingentering is een geleidelijke correctie naar een
gelijk aantal artsen voor hetzelfde bevolkingsaantal. We willen geen
crisissituatie veroorzaken door op korte termijn maatregelen te nemen voor
bepaalde gebieden. Daardoor worden de opleidingssystemen immers op de
helling gezet. Vandaar deze langzame bocht. Het is juist dat we uiterst voorzichtig moeten zijn
en dat we moeten bijsturen. Ik ben het er evenwel ook mee eens dat we
moeten weten waarmee we bezig zijn. Zonder meer bijproduceren zonder
tegelijkertijd de andere problemen aan te pakken leidt immers nergens toe.
De in de nota gevolgde redenering leidt rechtstreeks
naar een aantal tegenstrijdigheden die aanleiding geven tot volgende
vaststellingen en bemerkingen:
Er bestaat geen twijfel over dat de lineaire binding
tussen de behoefte aan arsten specialisten en de bevolkingsaangroei, met
de ermee gepaard gaande toename van pathologieën, niet specifiek opgaat
voor België alleen. Dezelfde fenomenen doen zich voor in gans de
West-Europese wereld. Maar ons land kent wel een aanzienlijk hogere
specialistische bestaffing. Nederland beschikt, voor een bevolking die 1,6
maal hoger is, over een specialistische bestaffing die ruim tweemaal
kleiner is dan de onze. Nederland kent 0,91 specialisten per duizend
inwoners (1998), België heeft er 2,17 per duizend inwoners (2001)
Nochtans wordt ook Nederland geconfronteerd met toename van nieuwe
pathologieën en technologieën. Zelfs als Nederland zijn specialistische
bestaffing verdubbelt staat die nog bijna een derde lager dan de onze
terwijl onze bevolking slechts een kleine twee derden vertegenwoordigt van
de Nederlandse. Het lijkt niet erg logisch de toename van nieuwe
pathologieën en vooral de ontwikkeling van de medische technologie als
argument aan te voeren om de aantallen te verhogen van
specialisatierichtingen met hoofdzakelijk “intellectuele prestaties”. Elders in Europa ligt het aantal specialisten in
verhouding met het aantal huisartsen lager. Zo telt men vb. in Frankrijk
102.017 specialisten voor 86.527 huisartsen (verhouding 1,86), in het
Verenigd Koninkrijk 51.031 specialisten voor 35.611 huisartsen (verhouding
1,43) en in Duitsland 156.901 specialisten voor 84.436 huisartsen
(verhouding 1,86). Zou men zich dan niet eerder moeten afvragen of er in
de toekomst niet eerder een schaarste aan huisartsen zal ontstaan alvorens
men zich zorgen gaat maken over een vermeende schaarste aan specialisten. In deze context dient ook vermeld dat de
Planningscommissie bij het vaststellen van het contingent artsen wel
degelijk rekening hield met de feminisering: enerzijds met een hoger
aantal part-time jobs, en anderzijds met het gegeven dat vrouwelijke
artsen gemiddeld 80% van het werkvolume presteren van dat van hun
mannelijke collega’s.
Mevrouw De Schamphelaere spitst zich verder toe op
enkele vermeende specifieke sectorale problemen. Deze bemerkingen houden
geenszins verband met een reële schaarste van de betrokken specialismen.
Ze staan wel rechtstreeks in relatie met de onaantrekkelijkheid van de
betrokken sectoren als activiteitsveld. Door het aantal artsen -
specialisten in die categorieën nog te doen toenemen, dreigt de olievlek
van ontevredenheid en gebrek aan motivatie zich nog verder uit te breiden
binnen deze sectoren. En door het hoger aantal specialisten in zijn geheel
(dus meer uitgaven en nog lagere honorering) dreigt het ongenoegen zich
zelfs buiten de reeds aangetaste sectoren te verspreiden. Het potentieel aantal Belgische kinderartsen is groot
genoeg om een voldoende bestaffing te verzekeren voor zowel het
Franstalige “ONE” als voor het Vlaamse “Kind en Gezin”. In 1998
waren er in België 1.221 pediaters en in Nederland 958, of in België
0,12 kinderartsen per 1.000 inwoners tegenover 0.059 in Nederland. Het
probleem van het “ONE” en “Kind en Gezin” is dat nog slechts
weinigen bereid zijn hun medewerking te verlenen aan deze organisaties die
een specialist met 12 jaar universitaire opleiding “honoreren” met
3,50 euro per patiëntencontact en een huisarts met 9 jaar universitaire
opleiding, met 2,70 euro per patiëntencontact. Dit alles als
zelfstandige, met bijgevolg nog afdracht van sociale bijdragen,
belastingen en allerhande andere kosten. Kortom voor een netto uurloon
waar je letterlijk niemand meer voor aan het werk krijgt.
Ook het federale gezondheidsbeleid is gericht op dit
soort contradicties. Ondanks de toename van het aantal ziekenhuisopnames,
en het feit dat de ziekenhuizen quasi continu volledig bezet zijn, wordt
de financiering gestoeld op systemen die op middellange termijn de afbouw
van verscheidene instellingen tot gevolg zullen hebben. De vastgestelde symptomen waarover de nota het heeft,
zoals in de pediatrie, de psychiatrie, de reumatologie… zijn de eerste
voortekenen die tot uiting komen bij de financieel zwakste groep.
Kinderartsen zijn al sedert jaren de minst betaalde specialisten in het
ziekenhuis. Ondanks het, in vergelijking met de buurlanden, ruim voldoende
aantal kinderartsen is er vandaag schaarste aan kinderartsen die een
ziekenhuisactiviteit met al haar verplichtingen en verantwoordelijkheden
willen opnemen. Vooral de zware beschikbaarheidsvereisten inzake
neonatologie en pediatrische spoedgevallenzorg baren vele ziekenhuiszen
quasi onoverkoombare problemen.
Het verhogen van de quota aan specialisten in bepaalde
sectoren is absoluut geen oplossing. Integendeel! In die deelgebieden van
de specialistische geneeskunde waar nauwelijks nog enige attractiviteit
van uitgaat wegens het hoog aansprakelijkheidsrisico, de belabberde
honorering, het gebrek aan sociaal en patiëntenrespect …. , zal
dergelijke maatregel de toestand nog doen verergeren. Indien men die
prioriteit niet wil inzien en de Overheid blijft voortgaan om de artsen
steeds meer belastende taken onbezoldigd op te leggen via bvb. normering
en andere organisatorische vereisten, dan zullen de bestaande
bestaffingstekorten snel blijven toenemen en zal het aantal sectoren waar
dergelijk bestaffingstekorten bestaan binnenkort uitbreiden. Ondanks het
feit dat er in absolute cijfers en in vergelijking met het buitenland
zelfs een surplus is aan artsen)-specialisten. Wat de psychiatrie, en meer bepaald de
kinder-psychiatrie betreft, werden enerzijds de opleidingsquota herzien,
en anderzijds nieuwe erkenningscriteria ingevoerd, waardoor de keuze
tussen volwassen- en kinder- en jeugdpsychiatrie naar de toekomst toe
verplicht wordt gesteld. Het ligt voor de hand dat deze maatregel een
aanzienlijke toename van het aantal kinderpsychiaters in de komende jaren
zal mogelijk maken. Maar ook voor deze disciplines zal een redelijk en
motiverend statuut van de specialist in de verscheidene types van
instellingen een noodzakelijke vereiste zijn. Tenslotte heeft het schijnbaar tekort aan specialisten
precies te maken met het feit dat de artsen-specialisten quasi uitsluitend
als zelfstandigen werken. Zodoende kan men de aantallen vergroten zonder
zich zorgen te maken over de betaalbaarheid. Enkele jaren geleden
verklaarde de toenmalige minister van sociale zaken, Mevrouw M. De Galan,
dat het ondenkbaar was meer bepaald de ziekenhuisartsen met een wedde te
vergoeden, want dat zou onbetaalbaar zijn. Dat is de realiteit: onze
samenleving heeft een artsenbestand dat zijn betaalbaarheid overstijgt. De
budgettaire problemen van het gezondheidsbeleid zijn daar andermaal het
bewijs van. |
||
|
Copyright © VBS, 1997-2004 |
|
Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp |