Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

Nr 7  -  Oktober 2002

Vorige artikel VorigeInhoud van dit nummer InhoudVolgende artikel Volgende

 

TOEKOMST VAN DE SPECIALISTISCHE GENEESKUNDE ANNO 2002



Deze tekst vormt de basis van een uiteenzetting die Dr. Marc MOENS gaf tijdens het Jubileum Symposium d.d. 14.9.2002 in de St. Jozef Kliniek te Bornem.


Geachte Dames en Heren,
Geachte Collegae,


I. INLEIDING

Vooraf wens ik het bestuur, de medische staf en de collegae van de huisartsenvereniging Klein-Brabant te feliciteren ter gelegenheid van de viering van het vijftigjarig bestaan van de Sint-Jozefkliniek te Bornem en de organisatoren te danken voor de vriendelijke uitnodiging om als spreker deel te nemen aan Uw symposium.

Bij de aanvang van een nieuw millennium de toekomst van de specialistische geneeskunde schetsen, is voorwaar geen gemakkelijke opdracht. Ik waag me dus niet aan een wetenschappelijke kristallen bol, die ik dan best discipline per discipline zou raadplegen. Dus geen high-tech vooruitzichten, geen genetic engeneering, noch moleculaire diagnostische bespiegelingen. Ik zal me beperken tot een aantal feitelijke gegevens die rechtstreeks impact hebben op de toekomstige beroeps- en sociale situatie van de artsen (-specialisten). Enerzijds het aantal artsen dat binnen de klassieke structuur van het RIZIV zal kunnen (mogen) werken en de budgettaire situatie. En anderzijds de nieuwe verantwoordelijkheden die de artsen worden opgelegd ten gevolge van de stapsgewijze uitvoering van de op 11 september 2001 door minister Frank VANDENBROUCKE en toenmalig minister Magda AELVOET aangekondigde “Agenda 2002 voor verandering in de gezondheidszorg”.


II. PLANNING VAN HET AANTAL ARTSEN

Met 42.978 artsen voor 10.279.000 Belgen kent België, op Italië na, de hoogste artsendensiteit in de Westerse wereld : 42 artsen per 10.000 inwoners of 1 arts per 238 Belgen (tabel 1).

Tabel 1

Niet alle artsen werken binnen de klassieke RIZIV-structuur. Het Ministerie van Volksgezondheid klasseert deze groep onder de noemer “zonder klinische praktijk”. Het betreft arbitrair alle 75-plussers, de erkende arbeidsgeneesheren en de niet door het RIZIV erkende artsen.

6.128 huisartsen op 19.493 of 34 % vallen onder deze categorie tegenover 2.048 specialisten op 20.056 of 10 %. Van de 13.365 huisartsen met praktijk zijn er een kleine 10.000 geaccrediteerd. Zij presteren +/- 97 % van de door het RIZIV getarifeerde huisartsenprestaties.

Zoals steeds moeten cijfers dus met de nodige voorzichtigheid worden benaderd, zeker wanneer men wil voorspellen wat de toekomstige noden aan de verschillende disciplines zullen zijn.

Een fenomeen dat hierbij ook steeds naar voor wordt geschoven is de vervrouwelijking van het medisch beroep (tabel 2).

Tabel 2

Tot 1970 was minder dan 10 % der artsen vrouw. In 2001 is bijna één op drie artsen van het vrouwelijk geslacht.
Toevallig is 31,5 % ook het percentage vrouwelijke huisartsen : 6.135 op 19.493.

Het aantal erkende vrouwelijke specialisten ligt wat lager : 5.760 op 20.056 of gemiddeld 28,7 % (tabel 3). Uitgesplitst per discipline varieert het aandeel van de dames van 57,5 % in de dermato-venerologie tot 5,4 % in de orthopedie. Tot de top vijf horen eveneens de psychiaters (55,4 %), patholoog-anatomen (52,0 %), oftalmologen (48,1) en pediaters (46,7). De vijf minst vrouwelijke specialismen zijn, naast de orthopedie, de urologie (6,0 %), de neurochirurgie (9,0), de chirurgie (10 %) en – merkwaardig, ook een interne discipline – de cardiologie (14,7).

Tabel 3

Bij de geneesheer-specialisten in opleiding (tabel 4) bengelen dezelfde specialisaties aan de staart qua keuze door jonge vrouwelijke artsen, weliswaar met beduidend hogere participatiegraad en in een andere volgorde : urologie (11,1 %), neurochirurgie (15,6 %), orthopedie (17,1 %), cardiologie (26,1 %) en chirurgie (27,7 %).
De opvallendste nieuwkomer in de top vijf zijn ongetwijfeld de G.S.O.’s in de gynecologie-verloskunde : 114 van de 167 kandidaat-specialisten of 68,3 %.

Tabel 4

Bijna de helft (47,5) van de specialisten in opleiding zijn dames. Het wordt dus hoog tijd dat de terminologie wordt veranderd naar arts-specialist.

In het Belgisch Staatsblad van 14 juni 2002 werd via het K.B. van 30.05.2002 de planning van het medisch aanbod vastgelegd (tabel 5). Tot 2011 werd het totaal aantal artsen dat binnen de RIZIV-structuur kan functioneren vastgelegd op een jaarlijks quotum van 700, taalkundig verdeeld in 420 Vlamingen en 280 Franstaligen. De cijfers voor 2005 en 2006 werden opgetrokken tot 700. Het K.B. legde de opsplitsing tussen huisartsen (300) en specialisten (400) slechts vast tot 2006 uit voorzichtigheidsoverwegingen. Als er een tekort zou ontstaan, zou het zich eerst manifesteren in de huisartsenpopulatie.

Tabel 5

Het K.B. van 30 mei 2002 heeft ook quota vastgelegd voor de verschillende specialistische disciplines en uitgesplitst per taalrol (tabel 6). Hierbij werd niet systematisch de verdeelsleutel 60 % Nederlands- en 40 % Franstaligen gehanteerd. Er werd, discipline per discipline, rekening gehouden met de bestaande situaties en noden en met de feminisatie. Het gebruikte wiskundig model hanteert de sleutel dat vrouwelijke collegae gemiddeld 20 % minder presteren dan de gemiddelde mannelijke collegae. Opmerkelijk is dat voor sommige "kleinere" specialismen er minder kandidaten zullen worden toegelaten dan er universitaire opleidingsmogelijkheden zijn (stomatologie, fysiotherapie, radiotherapie, nucleaire geneeskunde en pathologische anatomie). Zeventig plaatsen van de 400 werden niet toegewezen om toekomstige noden en discussies op te vangen.
Disciplines die geen RIZIV-uitgaven genereren, zoals de specialisten in het beheer van de gezondheidsgegevens, in de medisch-gerechtelijke en in de arbeidsgeneeskunde, vallen buiten het contingent.

Tabel 6

De invoering in 1997 van het ingangsexamen in Vlaanderen vóór het eerste jaar geneeskunde, heeft het aantal generatiestudenten in de geneeskundestudies drastisch doen dalen. Van 1.160 in 1996 naar 692 in 1997 en 377 in 1998 (tabel 7).
In 1997 werd, na protest, slechts de helft van het examen in aanmerking genomen, met name alleen het gedeelte i.v.m. de attitude ("vermogen tot het verwerven en verwerken van informatie"). Vanaf 1998 telde ook de wetenschappelijke helft mee ("kennis en inzicht in de wetenschappen"). Sindsdien ligt het aantal beginners in Vlaanderen lager dan het aantal van 420 dat na 2004 binnen het RIZIV aan de slag kan.

Tabel 7

Behalve een dip in 1994, wijzigde het aantal beginnende Franstalige studenten zich nauwelijks in diezelfde periode. Er werd ook niets georganiseerd om de instroom te beperken zodat er nu honderden kandidaat-geneeskundestudenten zijn die in een zeer betreurenswaardige situatie zijn terecht gekomen. Want ook de beloofde “passerelles” naar andere of nieuwe studierichtingen werden onvoldoende uitgebouwd.


III. BUDGETTAIRE SITUATIE

Vooral de Vlaamse VLD-voorzitter, Karel DE GUCHT, munt uit in het stigmatiseren van artsen in verband met de stijgende gezondheidsuitgaven. Dat hij de schuld dan vooral bij de Franstalige artsen en ziekenhuizen legt is voor de Vlaamse collegae maar een schrale troost. De kostenexplosie is vooral buiten de artsenhonoraria en buiten de verpleegdagprijs te zoeken. Van de 100 miljard BEF budgettoename in 2000 en 2001 ging er slechts 1,5 miljard BEF echt naar de artsenhonoraria.

Van 1990 tot 2000 stegen de totale uitgaven voor de geneeskundige verzorging jaarlijks gemiddeld met 5,92 % (tabel 8). Een aantal financieel zwaar doorwegende sectoren zit daar sterk boven, zoals vb. de farmaceutische verstrekkingen (7,58 %), de RVT/ROB en Dagcentra (13,51 %), de implantaten (10,33 %), de daghospitalisatie (13,09 %).

Tabel 8

De honoraria der geneesheren – in absolute cijfers de zwaarste post – staat slechts op de 21ste plaats met een bescheiden jaarlijks gemiddeld groeipercentage van
3,44 %.
Hierin zitten zowel de toenemende behoeften, de toegestane wettelijke groeinorm, de index, het stijgend aantal artsen verstrekkers en de groeiende cohorte personeelsleden die vanuit deze honoraria worden betaald.

Geen enkele van de medische subsectoren komt boven het gemiddelde groeipercentage van de totale geneeskundige verzorging uit (tabel 9). De “sterkste” stijger is de heelkunde (5,68 %). De zogenaamd intellectuele acten scoren zeer magertjes en de klinische biologie lijkt statu quo te blijven. Als men ook rekening houdt met de factor inflatie (index der consumptieprijzen 12/1990 : 108,08 en 12/2000 : 131,59), dan stegen de uitgaven nauwelijks in reële termen en voor de klinische biologie zakten ze met +/- 20 % over deze periode van 11 jaar.

Tabel 9

Sinds het aantreden van minister VANDENBROUCKE werd er zeer sterk bespaard op de medische honoraria, via allerlei technieken. Verminderingen van verstrekkingen van de nomenclatuur (tabel 10.1), quasi exclusief in de specialistische geneeskunde; inleveringen via recuperatiemechanismen in de medische beeldvorming en de klinische biologie (tabel 10.2), het knipperlichtensysteem en tenslotte indexinhoudingen (tabel 10.3).

Tabel 10.1

Tabel 10.2

Tabel 10.3

Het knipperlichtensysteem bestaat er in dat, indien het budget dreigt overschreden te worden, de Overheid ambtshalve een tariefvermindering kan opleggen. Zo werd de nierdialyse van 01.09 tot 31.12.2001 bedacht met een inlevering van 15 %. Dankzij een stakingsactie van de specialisten in de ziekenhuizen en ondanks knipperende lichten in andere geneesherensectoren, werd geen bijkomende besparing opgelegd via dit systeem aan de artsen. Uiteraard hield de minister de andere – door hem zelf in de wet uitgewerkte – besparingsmaatregelen achter de hand.

Voor 2001 kennen we het bedrag aan besparingen inmiddels : 5.773 miljoen BEF (tabel 10.4). Voor 2002 wordt de inlevering door artsen geraamd op 12,1 miljard BEF. En voor 2003 ligt nu al een besparing vast van een kleine 10 miljard BEF. Vermits dit in het nieuwe jargon “maar” een kwart miljard euro is, zal de minister van begroting dit allicht maar een detail vinden .

Tabel 10.4

Bij de start van de discussie omtrent de begroting gezondheidszorgen 2003, gaat men er van uit dat in 2002 het politiek vastgelegd budget van 580,1 miljard BEF met 7,2 miljard BEF zal worden overschreden, vermits de technische ramingen uitkomen op 587,3 miljard (tabel 11).

Tabel 11

De zorgverstrekkers hadden in het najaar 2001 een budget van 600 miljard BEF gevraagd voor het begrotingsjaar 2002. Dit was een realistische inschatting : als men de actuele technische raming 2002 (587,3) samentelt met de besparingen in de sector medische honoraria (12,1) vindt men een bedrag in die grootte-orde. Een andere zeer belangrijke inlevering werd gezocht bij de kinesitherapeuten.
Sectoren waar vooral werknemers tewerkgesteld zijn, bleven als bij wonder quasi vrijgesteld van belangrijke besparingen.

Om aan de behoeften 2003 te kunnen voldoen volgens de RIZIV technische ramingen, zou bijna 20 miljard BEF moeten worden toegevoegd aan het wettelijk vastgestelde normbedrag, index niet meegerekend (à 1,37 % is dit 8,2 miljard BEF) en evenmin rekening houdend met nieuwe initiatieven in 2003 en de verdere uitvoering van de in 2002 opgestarte initiatieven (samen geraamd op 20 miljard BEF) of een algemeen totaal van ± 648,5 miljard BEF.

Voor de artsenhonoraria (tabel 12) wordt een toename van de behoeften met 8,6 miljard BEF verwacht. Ten opzichte van de begrotingsdoelstelling 2002 is dit 11,8 miljard BEF meer, buiten index.

Tabel 12

De ziekenhuisfinanciering kampt met een structurele onderfinanciering, geraamd op 17 miljard BEF. Wat niet uit de verpleegdagprijs kan worden betaald, verhaalt de ziekenhuisbeheerder op de artsenhonoraria. Een daling van de honoraria en een gelijkblijvende afdracht aan het ziekenhuis betekent dus een exponentiële inlevering door de artsen.

De nieuwe financieringstechniek voor de ziekenhuizen vanaf 1 juli 2002 brengt vele onzekerheden mee voor de ziekenhuisdirecties. Sommige ziekenhuizen zullen er op vooruitgaan, anderen gaan inleveren.

De drastische bezuinigingen in de medisch-technische disciplines maken de eventuele boni ongedaan die de ziekenhuizen daaruit tot nog toe putten om andere verlieslatende diensten of functies in stand te houden.

Budgettair zullen er dus nog harde noten te kraken vallen.


IV. VERANTWOORDELIJKHEDEN

Momenteel wordt er gesleuteld aan een ontwerp van wet die de individuele responsabilisering van de verstrekkers aanscherpt. In se gaat het om alle soorten van verstrekkers, maar in eerste instantie viseert men de artsen, zowel huisartsen als specialisten.

Merkwaardig genoeg blijven in de huidige ontwerpteksten de ziekenhuisbeheerders buiten schot. In de beste der werelden zal het niet voorkomen dat ziekenhuisbeheerder, direct of indirect, de artsen tot hogere consumptie van medisch-technische verstrekkingen aansporen. Ook artsen zullen in deze ideale wereld nooit niet adequate onderzoeken verrichten. Jammer genoeg leven we niet in een ideale wereld, maar wel in een gejuridiseerde maatschappij, waar alles dermate overgereglementeerd is, dat willekeur om de hoek loert.

Als de wetgever meent dat een crescendo nodig is in de monitoring, bewaking en bestraffing van artsen, menen de artsen dat dezelfde maatregelen zich opdringen t.o.v. de ziekenhuisbeheerders. In de huidige versie van het ontwerp beperkt de wettelijke responsabilisering zich tot de enge betekenis van “terugbetalen door de artsen wat onverantwoord door de ZIV werd uitgekeerd”.

In de context van het geneesmiddelenverbruik worden besprekingen gevoerd om de terugbetaling van de geneesmiddelen uit hoofdstuk IV (de Bf-categorie), niet langer op strikt economische basis te schoeien, maar op medisch verantwoorde criteria. De initieel voorziene terugvordering van de bedragen voor eventueel niet conform voorgeschreven medicatie verdween uit het ontwerp en werd vervangen door andere maatregelen. De steekproefsgewijze a posteriori controles zullen worden vervangen door gericht onderzoek van “outliers” in het voorschrijfgedrag van specifieke medicatie, waarvoor geen verantwoording kan worden gegeven.
Deze wijzigingen kwamen slechts tot stand dankzij vastberaden verzet vanuit onze groep tegen de oorspronkelijke ideeën, die aanleiding konden geven tot blinde terreur. De debatten zijn nog niet gesloten. Er moet ondermeer nog werk worden gemaakt van de bescherming van de privacy van patiënten en artsen.

Deze week (10.09.2002) verscheen de ‘Wet van 22 augustus 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg”. Ook hier worden verantwoordelijkheden aangescherpt, vb. in het hoofdstuk III van de Wet, door de invoering van de referentiebedragen voor 14 chirurgische en 12 internistische verstrekkingen of diagnoses. Men gebruikt hiervoor het All Patients Refined Diagnosis Related Groups- of APR-DRG-systeem.

CHIRURGISCHE APR-DRG's : nr en omschrijving

73

Behandeling van staar

97

Wegname van keelamandelen en neuspoliepen

179

Behandeling van spataders

225

Wegname van appendix

228

Liesbreukoperatie

263

Wegname van galblaas via sleutelgatchirurgie

302

Knie- en heupprothese

313

Chirurgie van meniscus

318

Wegname van fixatiemateriaal voor behandeling van breuken

482

Wegname van prostaat via urinebuis

513

Wegname van baarmoeder

516

Sterilisatie via kijkbuisoperatie

540

Keizersnede

560

Bevalling langs vaginale weg


APR-DRG's INTERNE GENEESKUNDE : nr en omschrijving

45

CVA met herseninfarct

46

Niet gespecifieerd CVA en precerebrale occlusie zonder herseninfarct

47

Transient ischemia

134

Longembolie

136

 Nieuwvormingen van het ademhalingsstelsel

139

Gewone pneumonie

190

Circulatoire aandoeningen met AMI

202

Angina pectoris

204

Syncope en collaps

244

Diverticulitis en diverticulosis

464

Urinaire stenen met lithotripsie via ultrasonen

465

Urinaire stenen zonder lithotripsie via ultrasonen

 

Indien meer wordt uitgegeven dan het bedrag van de referentienorm zal het ziekenhuis moeten terugbetalen. Het betreft grosso modo alle kosten die een chirurgische ingreep meebrengen. Het bedrag van de verpleegdagprijsvergoeding en het forfaitair deel van de honoraria klinische biologie en medische beeldvorming zijn hiervan uitgesloten. Indien de overschrijding van de referentienorm optreedt bij internistische diagnosestelling, zal het ziekenhuis "slechts" publiek aan de schandpaal worden genageld.
De verrekening van de terugbetaling bij overschrijding van het referentiebedrag belooft een delicate en moeizame klus te worden, zowel tussen de directie en de medische raad als tussen de verschillende specialismen onderling.
Indien de medische raad geen akkoord zou bereiken met de beheerder, dan is de beheerder gemachtigd, volgens het aangevulde artikel 137 van de ziekenhuiswet, om 75 % van het bedrag te recupereren bij de artsen.

Dit kan tot bijzonder onbillijke situaties leiden : indien vb. een arts 25 % van het honorarium behoudt en 75 % afdraagt aan het ziekenhuis, kan theoretisch het ziekenhuis toch 75 % van de overschrijding ten laste van de arts leggen. Het uitgangspunt van de ziekenhuizen was dat de artsen altijd 100 % van het bedrag dienden terug te betalen, want, stelden de beheerders, zij induceren de onderzoeken en ingrepen en de bijhorende personeelskosten.

Het is duidelijk dat de Overheid een afschrikkingseffect beoogt met dit draconisch systeem. De Vlaamse ziekenhuizen gaan er misschien vanuit dat alleen Waalse en Brusselse ziekenhuizen geplaagd zullen worden door deze recuperaties. De toekomst zal het uitwijzen, maar het staat vast dat degenen die een perfecte en maximaal aanvaardbare registratie in het APR-DRG-systeem realiseren, minder in aanmerking zullen komen voor eventuele recuperaties. Alles staat of valt met een goede registratie door de ziekenhuizen, en door een correcte controle hierop door de Overheid.

Een minuscuul artikeltje 48 in deze wet maakt het vanaf 22 februari 2004 onmogelijk dat ziekenhuisartsen nog honorariumsupplementen zouden vragen. Tenzij de ziekenhuisbeheerder het initiatief neemt om hierover met de Medische Raad een regeling uit te werken. De toegelaten maximum tarieven die mogen worden aangerekend en die in deze regeling moeten worden opgenomen, dienen te worden meegedeeld aan de bevoegde instanties, met name aan de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV en aan de Nationale Paritaire Commissie Geneesheren-Ziekenhuizen van het Ministerie van Volksgezondheid.


V. BESLUIT

De toekomst roept vooral vragen op.

De medische technologie is onbegrensd, zowel in de inwendige ziekten, met vooral het accent op de toekomstige implicaties van de genetica, als in de chirurgische disciplines, met toepassingen van de robotica, implantologie, toegepaste biomechanica, etcetera.

We moeten er over waken dat de super- of hyperspecialist geen supertechnicus wordt. Een brede medische basis blijft noodzakelijk en een menselijke, holistische arts-patiënt relatie blijft het uitgangspunt.

Niet alles moet in detail wettelijk worden geregeld, maar de maatschappij moet via het parlementair debat en vooral na ruime inspraak met alle betrokkenen, ethische krijtlijnen uittekenen.

Als de wetgever budgettaire beperkingen wil opleggen, kan ze de verantwoordelijkheid niet afschuiven naar de artsen. Het is de plicht van elke arts de schaarse middelen zo adequaat mogelijk aan te wenden. Het ongedaan maken van eventuele bestaande misbruiken, zal nooit voldoende middelen opbrengen om de groeiende mogelijkheden en behoeften te financieren.
De huisarts opzadelen met een poortwachtersfunctie en degraderen tot opsteller en notaris van patiëntenwachtlijsten is voor ons onaanvaardbaar.

Het is aan de politieke wereld om dan vast te stellen wat ze meent dat de maatschappij wil en kan financieren. Jammer genoeg zetelen vooral gezonde medeburgers in het Parlement, en zijn er altijd wel andere prioriteiten. En dus dreigen gemakkelijkheidsoplossingen zoals vb. het opleggen van leeftijdsgrenzen waarboven geen bepaalde behandelingen of onderzoeken meer mogen worden (in-)gesteld. Binnen de Europese Unie bestaan hiervan tal van voorbeelden. Voorlopig bleef de Belgische burger hiervan gespaard.

Wereldwijd in de geïndustrialiseerde wereld zoeken de gezondheidseconomen naar betere en efficiëntere financieringssystemen voor de gezondheidszorg. Bibliotheken vol wordt er over gepubliceerd. Geen enkel systeem is perfect, maar anders is niet per definitie beter.

Meer en meer, vooral jongere, artsenstemmen gaan op om gesalarieerd te worden. Voor de jongste generatie specialisten heeft het Koninklijk Besluit "COLLA" van 30/04/1999 (B.S. 29/05/1999) hen de weg gewezen.
Berekeningen van de BVAS toonden aan dat het budget aan artsenhonoraria hierdoor met minstens 70 % diende te stijgen. De toenmalige socialistische minister van Sociale Zaken, mevrouw Magda DE GALAN, bedankte feestelijk.

Ondanks al deze moeilijkheden, zie ik toch vooral uitdagingen en mogelijkheden.
Frustraties en demotivering zijn prominent aanwezig, en worden bovendien uitvergroot in de pers. Velen reageren als navelstaarders, trekken zich terug in hun eigen wereldje en denken dat het hun tijd nog wel zal duren.

We mogen niet in de val trappen die sommigen graag opzetten en die huisartsen tegen specialisten opzet, en onder de specialisten diegenen uitspeelt die vooral “intellectuele acten” verstrekken tegen hen die het “gemakkelijke geld” verdienen via medisch-technische prestaties.

Laat ons samenwerken aan het verbeteren van ons niet ideaal, maar toch behoorlijk systeem, dat de 10.280.000 Belgen een gezondheidszorg verschaft die de internationale toets kan doorstaan, en die de 285.000 mensen die in de gezondheidszorg werkzaam zijn, en er 6,5 % van de actieve Belgische bevolking uitmaken, ieders volgens zijn opleiding, inspanningen en verantwoordelijkheden correct honoreert.

Voor alle artsen primeert hierbij de opwaardering van de intellectuele prestaties, zonder de technische acten te ontwaarden of onmogelijk te maken.

Ik dank U voor Uw aandacht.

Dr. M. MOENS,
Secretaris-generaal VBS,
Ondervoorzitter BVAS.


 

Vorige artikel VorigeInhoud van dit nummer InhoudVolgende artikel Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp