|
Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp |
![]() |
|
Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten |
|
|
|
|
Nr 3 - Maart 2002 |
||
|
|
||
Gedurende het ganse jaar 2001 was het ontwerp van "gezondheidswet" de juridische hoofdbrok van het steekspel tussen het kabinet van Sociale Zaken (lees: het hoofdkwartier van het Kartel, met FVDB himself als P.R. manager) en de artsen. Het stond trouwens prominent mee op het voorplan van de artsen-acties die in het najaar werden opgezet, al bleek dit niet meteen voor iedereen duidelijk wegens het toen zeer acute overwicht van de budgettaire maatregelen. Het is nochtans in dezelfde periode dat het wetsontwerp in de Kamer belandde, waar het zonder enig blauw verweer, meerderheid tegen minderheid gestemd werd op 29.11.2001, en vervolgens ongewijzigd overgenomen bij evocatie door de Senaat, op 13.12.2001. Slechts één senator, een arts, onthield zich omwille van de ons betreffende maatregelen. Deze stemming viel dus samen met het moment waarop de TGR gedwongen werd nog een laatste maal (in 2001) de hakbijl te doen vallen in de artsenhonoraria voor neen besparing van 40 miljoen EURO. En toch duurde het nog tot 22 februari 2002 alvorens de wet in het Staatsblad verscheen. Was er een aarzeling misschien? Wou men de bijl nog verscherpen? We nemen hierna de belangrijkste artikels over van het deel ziekteverzekering, welke bijzonder belangrijke gevolgen zullen hebben voor de toekomstige evolutie van de professionele situatie van de artsen. Op het deel "ziekenhuizen" komen we later nog terug. Het werd reeds in ruime mate toegelicht, o.m. wat de tarievenregeling (zie januarinr.2002 van "De Geneesheer-specialist") betreft, en de nieuwe §5 van art. 140 van de ziekenhuiswet waardoor de financiële bepalingen van het contract van de ziekenhuisarts kunnen doorbroken worden door een financieel akkoord tussen beheerder en medische raad (zie VBS-Jaarverslag 2001, dd.02.02.2002 Dr M.MOENS –Speciaalnummer “De Geneesheer-Specialist”, maart 2002, IX.4.en volgende). De gekleurde tekst hierna zijn korte toelichtingen en verduidelijkingen van onzentwege.
14 JANUARI 2002. - Wet houdende maatregelen inzake gezondheidszorg (B.S. d.d. 22.2.2002) TITEL II. - Sociale zaken en pensioenen HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en van de hypotheekwet van 16 december 1851 Afdeling 1. - Betrekkingen met de geneesheren Art. 3. Artikel 36bis, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 10 december 1997, wordt aangevuld met het volgende lid : « De Koning kan volgens de hiervoren bedoelde procedure, de regels vaststellen voor de financiering van de werking van de organen die instaan voor de organisatie van de accreditering enerzijds, en van de lokale kwaliteitsgroepen anderzijds. Hij kan de voorwaarden bepalen waaronder het door Hem te bepalen deel van de forfaitaire tegemoetkoming bedoeld in artikel 50, § 6, laatste lid, wordt aangewend voor de financiering. ». (NB: De overheid voorziet de mogelijkheid om een deel van het jaarforfait van 20.000 BEF aan te wenden voor de werkingskosten van de accreditering) Art. 4. Artikel 50bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 februari 1998 en gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, wordt opgeheven. (NB: Het artikel over de supplementen en maximumtarieven – de zogenaamde wet "Vermassen-Lenssens - verdwijnt. De regeling wordt vervangen via aanpassingen van de ziekenhuiswet, m.b. de art. 84, 85, 109 en 114 –zie “De Geneesheer-Specialist” januari 2002 - die samengelezen moeten worden) Afdeling 2. - Financiële bepalingen (NB: "verfijning" van de knipperlichten. Wie zich had ingebeeld dat de regering van haar strikte begrotingsconcepten zou afstappen, heeft zich schromelijk vergist.) Art. 7. In artikel 51 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 10 december 1997, 25 januari 1999, 24 december 1999, 12 augustus 2000 en 2 januari 2001, en bij het koninklijk besluit van 25 april 1997, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2, vijfde lid wordt de zin « De door de Algemene Raad bepaalde verminderingen komen overeen met de vastgestelde overschrijding op jaarbasis ten opzichte van de partiële begrotingsdoelstelling, » vervangen door de volgende bepaling : « De door de Algemene Raad bepaalde verminderingen komen overeen met de verwachte of vastgestelde overschrijding op jaarbasis van de partiële begrotingsdoelstelling. »; 2° § 4 wordt aangevuld met de volgende leden, luidend als volgt : « Zodra overeenkomstig artikel 40, § 3, de partiële begrotingsdoelstellingen van een volgend dienstjaar zijn vastgesteld, en een beduidende overschrijding of een risico op beduidende overschrijding wordt vastgesteld op basis van de gegevens van het lopend dienstjaar of een gedeelte ervan, onderzoekt de Commissie voor Begrotingscontrole of een overschrijding of een risico op overschrijding in het volgend dienstjaar wordt verwacht. Het globaal budget van financiële middelen voor sommige verstrekkingen bedoeld in artikel 34 wordt voor de toepassing van de bepalingen genomen ter uitvoering van het eerste lid met een partiële begrotingsdoelstelling gelijkgesteld, behoudens voor de globale budgetten die deel uitmaken van een overeenkomstig artikel 40, § 3, vastgestelde partiële begrotingsdoelstelling. »; 3° in § 5 worden de woorden « de verslaggeving, bedoeld in § 3, zesde lid, » vervangen door de woorden « de verslaggeving, bedoeld in § 3, tweede en zesde lid, ». Art. 8. In artikel 53 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998, 25 januari 1999 en 24 december 1999, wordt tussen het zevende lid en het achtste lid het volgende lid ingevoegd : « De Koning kan de voorwaarden en modaliteiten bepalen voor de uitbetaling van de verzekeringstegemoetkoming aan de rechthebbende of zijn vertegenwoordigers. Hij kan hierbij vaststellen welke personen niet als vertegenwoordiger kunnen optreden. » (NB: Een nieuw begrip: vertegenwoordigers van de rechthebbende; en… mogelijke niet-vertegenwoordigers. Er weze opgemerkt dat de bepaling precies wordt ingelast na de wettelijke basis van de derdebetalersregeling) Art. 9. In artikel 56bis van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 april 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen als volgt : « In afwijking van de bepalingen van deze gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na het advies van de Algemene Raad en van de betrokken overeenkomsten- en akkoordencommissie te hebben ingewonnen, jaarlijks een alomvattende begroting van financiële middelen vaststellen voor de door Hem vastgestelde verstrekkingen van artikel 34 die worden verleend aan rechthebbenden die zijn opgenomen in de verpleeginrichtingen, die Hij aanwijst, bedoeld in artikel 2 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987. » 2° In § 4 worden de woorden « bij een in Ministerraad overlegd besluit en met respect voor de bestaande procedures » vervangen door de woorden « na advies van het Verzekeringscomité ». (NB: De mogelijkheid van een globaal ziekenhuisbudget wordt hier ontlast van de huidige verplichting voor de minister om de akkoorden en de bestaande procedures na te leven. Bedoeling: de beslissingsvrijheid van de Koning. De Overeenkomstencommissie heeft nog maar een gewoon "advies". Dat bij KB de verpleeginrichtingen worden bepaald waarop dit toepasselijk is, zegt duidelijk dat het om een geprivilegieerd globaal budget gaat, vermoedelijk universitair. En dat dus zal worden afgenomen wordt van de begroting voor medische en/of andere verzorging.) Art. 10. Artikel 59 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 12 augustus 2000, 2 januari 2001 en 19 juli 2001, wordt aangevuld met het volgende lid : « De in artikel 51, §§ 2 en 3, bedoelde correctiemechanismen en verminderingen zijn van toepassing ongeacht het toepassen van de verrekening bedoeld in dit artikel. » (NB: De knipperlichtingen worden toegepast ongeacht of de recuperatie-verrekening op de forfaitaire honoraria van klinische biologie en medische beeldvorming wordt toegepast) Art. 11. In dezelfde wet wordt een artikel 64bis ingevoegd, luidend als volgt : (NB: Bij gedeeltelijke opname van verstrekkingen in het ziekenhuisbudget, wordt alleen voor het overblijvend deel een ZIV-vergoeding voorzien. De tarieven daarvan worden dan wel bij KB bepaald, en niet meer door de overeenkomstencommissie. Mogelijks wordt dit een aanvullende regeling met het oog op het globaal ziekenhuisbudget voor de universitaire ziekenhuizen. Doch niets verhindert de toepassing op andere (alle?) instellingen. Desgevallend worden dan wettelijke- i.p.v. conventietarieven van toepassing. Juridisch is de volledige verstaatsing in feite klaar. We zoeken vruchteloos een spoor van liberale component in het gezondheidsbeleid.) « Art. 64bis. Voor de verstrekkingen die geheel of gedeeltelijk vergoed worden door het budget van financiële middelen, bedoeld in artikel 87 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, kan geen verzekeringstegemoetkoming worden toegekend, behalve voor het deel dat niet door voornoemd budget wordt vergoed en onverminderd de toepassing van artikel 100 van voornoemde wet. De Koning wijzigt, na advies van het Verzekeringscomité, de honoraria, prijzen, vergoedingstarieven of andere bedragen, die reglementair of conventioneel zijn vastgesteld, op de datum dat de verstrekkingen door het in het eerste lid bedoelde budget worden vergoed. De Koning kan nadere regels vaststellen voor de toepassing van deze bepaling. » [...] Afdeling 3. - Administratieve bepalingen Art. 19. Artikel 138 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling : « De verzekeringsinstelling stelt op eigen initiatief of op verzoek van de controlediensten van het Instituut, aan de hand van elektronisch opgeslagen en verwerkte gegevens, lijsten op die de nodige gegevens bevatten voor de volledige identificering van de verstrekkingen enerzijds aangerekend, anderzijds terugbetaald door de verzekering voor geneeskundige verzorging. Na waarmerking door een gevolmachtigde van de verzekeringsinstelling erkend door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle, gelden deze lijsten tot bewijs van het tegendeel, ook ten aanzien van derden. » (NB: De elektronisch verwerkte gegevens van de ziekenfondsen betreffende de aangerekende en terugbetaalde verstrekkingen, gelden tot bewijs van het tegendeel. Ook bvb. uw profielgegevens? In geschillen of betwistingen voor de controle-instanties heeft dit een omkering van de bewijslast tot gevolg. Elektronica kan ook juridische gevolgen hebben. ) Art. 20. Artikel 140, zesde lid van dezelfde wet, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Het Comité houdt op geldige wijze zitting wanneer naast de voorzitter of een ondervoorzitter, tenminste de helft van de leden bedoeld onder het eerste lid, 2°, 3° en 4°, aanwezig zijn, alsook de helft van de leden bedoeld onder het eerste lid, 5° tot 21°, bij het onderzoek van de vragen die rechtstreeks de groep die hen heeft voorgedragen, aanbelangen. Om na te gaan of het voornoemd quorum bereikt is, wordt ieder regelmatig opgeroepen lid, dat zonder rechtvaardiging aangenomen door de voorzitter van de zitting, afwezig is, bij het aantal deelnemers meegeteld. Het lid wordt geacht zich te onthouden bij de stemming over de beslissingen. » (NB: Comité van de Dienst voor Geneeskundige Controle. De afwezigen hadden altijd al ongelijk. Wegens deze nieuwe juridische logica maakt het niets meer uit: afwezig zijn is hetzelfde als zich onthouden. De wetgever creëert dus twee soorten onthouders, gewone en geheelonthouders) Art. 21. Artikel 141, § 1, eerste lid, 13°, b), van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 24 december 1999, wordt vervangen als volgt : « b) de bekendmaking van zijn beslissingen en de rechtspraak van de Beperkte Kamers, van de Commissies van beroep en van de Controlecommissie. » (NB: Dit was tot nogtoe niet voorzien, wat aanleiding gaf tot een betwisting van onzentwege. De Dienst Geneeskundige Controle had immers tot zover het quasi monopolie over deze informatie, wat o. i. een schending inhield van de rechten van de verdediging. En meer dan dat, want naast het "geheime wapen", was dit tevens een manier om inbreuken te bestendigen, uit onwetendheid. Hopelijk wordt dit principe consequent toegepast, zodat het een reëel element van rechtszekerheid kan bieden. Zulks veronderstelt dat het daadwerkelijk mogelijk wordt de bekendmakingen op te volgen en de informatie voldoende te verspreiden bij de betrokken beroepsgroep, een taak die we bereid zijn op ons nemen. Daarbij zal weliswaar moeten rekening gehouden worden met de nodige anonimisering van de persoonsgegevens) Art. 22. In artikel 145, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 28 december 1999, worden het eerste en het tweede lid opgeheven. (NB: Dit artikel betreft de procedure voor de Controlecommissies, welke de inbreuken beteugelen op art. 73, nl. overconsumptie, voorschrijven of uitvoeren van nutteloze of nutteloos dure verstrekkingen. De enige bepaling van §2 die overblijft, is dat zowel de Controlecommissie als de Commissie van beroep een beroep kunnen doen op deskundigen. Moet de verdediging dat dan ook niet kunnen?) Art. 23. Artikel 147 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid : « De apothekers-inspecteurs hebben eveneens als taak de correcte uitvoering na te gaan van de controles toevertrouwd aan de adviserend geneesheren met betrekking tot de terugbetaling van farmaceutische specialiteiten en van magistrale bereidingen. » Art. 24. Artikel 164, derde lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 24 december 1999, wordt aangevuld als volgt : « Zij genieten het voorrecht bedoeld in artikel 19, 4°, eerste lid, van de hypotheekwet van 16 december 1851. » (NB: Betreft terugvorderingen van ten onrechte betaalde prestaties. De memorie van toelichting zegt laconiek: “beoogt een bevoorrecht karakter te geven aan de schuldvorderingen van het RIZIV en van de verzekeringsinstellingen”) Afdeling 4. - Terugvordering van ten onrechte uitbetaalde prestaties Art. 27. Artikel 19, 4°, eerste lid, van de hypotheekwet van 16 december 1851, opgeheven bij de wet van 12 april 1965, wordt hersteld in de volgende lezing : « 4° de schuldvorderingen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en deze van de verzekeringsinstellingen bepaald bij artikel 2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, voor de ten onrechte uitbetaalde prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging, de uitkeringsverzekering of de moederschapsverzekering. » Art. 28. In de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt een artikel 173bis ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 173bis. Indien de Dienst voor geneeskundige controle of de dienst voor administratieve controle, op eigen initiatief of na melding door een verzekeringsinstelling, vaststelt dat een zorgverlener, ondanks schriftelijke aanmaning, op onrechtmatige wijze verstrekkingen aanrekent of door derden laat aanrekenen, is de betrokken zorgverlener, overeenkomstig de door de Koning te bepalen voorwaarden en modaliteiten en onverminderd de sancties en terugvorderingen bedoeld in titel VII van deze wet, een compenserende vergoeding verschuldigd. Deze vergoeding is verschuldigd voor vaststellingen van fouten die niet uitsluitend betrekking hebben op het niet naleven van de onderrichtingen betreffende de aflevering van de facturatiegegevens op magnetische dragers, die door het Verzekeringscomité werden vastgesteld met toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Deze vergoeding bedraagt 20 % van het foutief aangerekend bedrag voor een eerste vaststelling en 50 % van het foutief aangerekende bedrag in geval van herhaling binnen een periode van twee jaar. De Koning bepaalt de bestemming en de wijze van boeking van de geďnde vergoedingen alsook het aandeel dat eventueel aan de verzekeringsinstelling wordt overgemaakt. » (NB: Ook dit is bedoeld om het uitzonderingsregime van de vervolgingen door de Dienst Geneeskundige controle te versterken. Een “compenserende vergoeding” van 20% - en 50% in geval van recidief- wordt ingevoerd, voor foutief aangerekende bedragen, en wel met een premie voor het ziekenfonds. Wie dacht dat premiejagers alleen in de Far West bestonden, vergist zich. Let wel, de sanctie geldt ook voor wie laat aanrekenen door “derden” (verstrekkingen verricht voor rekening van derden). Over welke overtredingen het precies gaat, wordt overgelaten aan de verbeelding van de scalpenjager. Het enige dat met zekerheid gesteld wordt is dat het gaat om "vaststellingen van fouten". Dit wordt Kafka op zijn best. De memorie van toelichting is tekenend voor de mentale ingesteldheid van de auteur i.v.m. de rechten van verdediging, want naast de terugbetaling van het door het RIZIV onverschuldigd bedrag, worden alle nu reeds bestaande sancties ontoereikend geacht: ”De strafsancties (door de politierechtbank uit te spreken geldboetes) en de andere sancties waarvan sprake… zijn niet adekwaat wegens de zwaarheid van de te doorlopen procedure….Deze toestand is ontoelaatbaar. Hij veroorzaakt frustratie bij de controlediensten…”). En in fine voegt de memorie er nog aan toe:"De modaliteiten volgens dewelke de feiten worden vastgesteld en de vergoeding wordt geďnd, moeten door de Koning nader worden uitgewerkt." Wat wil men uiteindelijk? Een terugbetaling opleggen op basis van een eenvoudige"vaststelling", samen met een "vergoeding" (die volgens de memorie, geen "sanctie" is!), zonder dat de verdachte enig recht op verdediging kan laten gelden?) |
||
|
Copyright © VBS, 1997-2004 |
|
Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp |