Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

Nr 1  -  Januari 2002

Vorige artikel VorigeInhoud van dit nummer InhoudVolgende artikel Volgende

 

HERZIENING PLANNING VAN HET MEDISCH AANBOD IN AANTOCHT


In het kader van de planningscommissie van het medisch aanbod wordt gewerkt aan een herformulering van de quota. Oorspronkelijk waren de globale jaarlijkse contingentcijfers 700 (2004), 650 (2005), 600 (vanaf 2006). Volgens voorstellen van het Ministerie zouden ze behouden blijven op 700 voor de jaren 2004 t.e.m. 2008 (een "afronding" werd dat genoemd; kwatongen noemden de discussies een "kerstpromotie"). Voor de jaren 2009-2010 zou dan de "afronding" dan worden verdergezet tot 750. Kenschetsend is dat de bij KB van 29.08.1997 vastgestelde cijfers geenszins werden gerespecteerd door de Franstalige faculteiten, die een feitelijke systematische overstijging hanteerden van ongeveer 15%.
Naast de verdeling tussen huisartsen en specialisten, en de spreiding over de verschillende disciplines, stelt zich het probleem van de verdeling over de verschillende faculteiten. Een denkoefening waarbij de problemen van de sector en de budgettaire impassen van de gezondheidszorg blijkbaar de plaats moeten ruimen voor de "selectierechten" van de universiteiten. En de enige zinnige oplossing, nl. een nationale selectie, stuit nog altijd op een harde weerstand, ook al moet dat leiden tot het voorstellen van haast irrationele mechanismen. 

We stuurden onze bedenkingen naar het Ministerie in volgende brief dd. 4 januari jl.:

"Betreft: ontwerp van KB betreffende de planning van het medisch aanbod.

1. Wij kunnen ons vanzelfsprekend niet eens verklaren met de vooropgestelde verhoging van de aantallen kandidaten die toegang krijgen tot de opleiding voor een titel van huisarts of van specialist, voor de jaren 2005 en 2006, gezien er geen fundamentele argumenten bestaan voor de zgn. “afronding”, welke vanzelfsprekend naar “boven” gebeurt. Wij waren overigens onthutst te vernemen dat de Franstalige universiteiten systematisch de overschrijding van de hen opgelegde quota “organiseren”, m.a.w. de wettelijke bepalingen gewoonweg niet naleven.

Deze zgn. "afronding" betekent een systematische verhoging van +12%. Er is geen enkele objectieve reden voorhanden om dergelijk optrekken van de quota te verantwoorden. Men neemt o.m. niet in aanmerking dat de overheid, in het kader van een restrictief begrotingsbeleid, een gans programma van zware activiteitsbeperkingen heeft voorzien, duidelijk en planmatig gericht op vermindering van activiteits- en prestatievolumes. Deze maatregelen resulteren met mathematische zekerheid in verminderde werkgelegenheid en het verdwijnen van toekomstige vacatures in de (vooral specialistische) gezondheidszorg. Het lijkt dus ten zeerste aangewezen de voorheen bepaalde quotacijfers niet op te trekken.

2.Daarbij aansluitend kunnen wij ons evenmin eens verklaren met de verdeling van de quota over geneesheren-specialisten en huisartsen. Immers de zgn. "afronding" met +12% wordt haast integraal verrekend in het quotum dat zou worden vastgesteld voor de specialisatie-opleidingen. Men stelt zelfs vast dat het vooropgestelde cijfer van 470 (voor 2004 t.e.m. 2008) maximum op te leiden specialisten beduidend overeenstemt met de gemiddelde jaarlijkse aangroei van het aantal specialisten in de loop van het voorbije decennium, zodat in werkelijkheid niet eens van een "numerus clausus" kan gesproken worden. Men heeft in feite gewoon de quota vastgesteld in functie van de behoeften aan kandidaat-specialisten (goedkope werkkrachten) van de opleidingsstructuren, en geenszins rekening gehouden met de reële activiteitsbehoeften van de gezondheidszorg.

3. Onder artikel 4,§1 wordt een onjuiste formulering opgenomen van de bepalingen van het KB van 16 maart 1999. Artikel 3 van dit laatste voorziet immers de bepaling:"…een attest dat aantoont dat de kandidaat door een faculteit geneeskunde aanvaard is voor de discipline waarin hij wil opgeleid worden". Art. 4 van het datzelfde KB zegt dat hij een tweede attest nodig heeft "dat aantoont dat de kandidaat met vrucht een specifieke universitaire opleiding heeft gevolgd…". Het betreft hier trouwens specifieke opleidingscriteria.

De vooropgestelde bepaling stemt niet overeen met de bepalingen van het KB van 16 maart 1999. De voorgestelde formulering zou tot gevolg hebben dat de specifieke universitaire opleiding uitsluitend toegankelijk zou zijn voor arbitrair geselecteerde kandidaten. De bepalingen van het KB nr 78 regelen de toegang tot de beroepstitels, doch niet tot de studies en de opleiding als dusdanig. Deze bepaling tast dus een grondwettelijk recht aan.

Onder §2 wordt blijkbaar een diploma van "kandidaat-huisarts" en van "kandidaat-specialist" ingevoerd. Op welke wettelijke basis?
Bovendien wordt hier een compleet onzinnige maatregel voorzien waardoor alle kandidaten in hun opleiding geblokkeerd worden zodra één enkele faculteit het totale toegelaten attesten-quotum overschrijdt. Immers de specialisatie kan maar aangevat worden wanneer het stageplan is voorgelegd aan de erkenningscommissie.

Onder §2, 4° gaat men nog stap verder, die al evenmin zinvol is, nl. door de voordien als maxima vastgestelde quota plots in te bereiken minima om te zetten. In feite gaat men er dus van uit dat de "wens" van een kandidaat om in een bepaalde discipline opgeleid te worden, kan omgezet worden in een "must" opgelegd door de faculteit. Zoiets kan toch niet (is trouwens al evenzeer ongrondwettelijk)! Men kan hoogstens selectiecriteria bepalen en dan de kandidaten aanvaarden die aan die criteria voldoen, zolang het maximumquotum niet bereikt is. Doch men kan noch de vrije wil van de kandidaten omzetten in een gedwongen vakkeuze, noch het vereiste kwaliteitsniveau van de selectie afstemmen op het maximumquotum.

In deze tekst wordt de werkelijke vertaling gegeven van het feitelijke opzet, nl. dat de quota uiteindelijk bepaald worden in functie van de budgettaire- en werkingsnoden binnen de universitaire- en netwerkziekenhuizen. 

De formulering van §2,5° is niet erg duidelijk. Men zou er goed aan te doen de juiste inhoud van de bepaling te preciseren. 

§2,6°: Het feit dat “overleg” tussen de faculteiten of “loting” noodzakelijk zullen zijn, levert het beste bewijs dat de enige rationele oplossing van de selectie bestaat in een centrale evaluatie, resulterend in een classificatie die dan een eenvoudige keuze van de best geplaatsten toelaat." 

Hopende dat U met deze bemerkingen zult willen rekening houden, groet ik U beleefd,
met collegiale hoogachting,

Prof. Dr. J. GRUWEZ"

 

Vorige artikel VorigeInhoud van dit nummer InhoudVolgende artikel Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp