|
Nr 9 - December 2000
Vorige Inhoud  Volgende
PARLEMENTAIRE VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vraag nr. 182 van de heer Claude Eerdekens van 20 september 2000 (Fr.) :
Generische geneesmiddelen. - Verkoop. - Substitutie.
Sinds september 1999 promoot de Franse regering actief het gebruik van generische
geneesmiddelen door de apothekers toe te staan een specialiteit te vervangen door een
goedkoper maar gelijkwaardig middel. De apotheker moet zich daarbij baseren op een
officiële lijst van bio-equivalente producten, wat concreet wil zeggen dat zijn
beroepsaansprakelijkheid niet in het geding kan komen.
De invoering van dat substitutierecht heeft de verkoop van generische geneesmiddelen in
Frankrijk doen verdrievoudigen, wat op langere termijn een besparing van 24,5 miljard
frank moet opleveren.
In België staat het substitutierecht niet op de politieke agenda, omdat ons land sowieso
achterligt wat de behandeling van deze problematiek betreft : er zijn maar weinig
generische geneesmiddelen op de markt en de voorwaarden voor onderlinge inwisselbaarheid
zouden niet strikt genoeg zijn. Er moet dus een globale aanpak komen om de bio-equivalente
alternatieven te promoten en in een latere fase het substitutierecht in ons land in te
voeren.
1.
a) Welke maatregelen werden of worden er genomen om generische geneesmiddelen sneller op
de Belgische markt te brengen ?
b) Zou dit niet bereikt kunnen worden als de administratieve procedure (registratie,
prijszetting, terugbetalingsaanvraag) ingesteld en afgerond zou kunnen worden vóór het
octrooi op de moedermolecule vervalt ?
2.
a) Bestaat er momenteel een gehomologeerde lijst van originele specialiteiten en hun
generische tegenhanger die door de arts als alternatief kan worden voorgeschreven?
b) Zo neen, waarom niet?
c) Zo ja, wordt die lijst onder de artsen verspreid en zo ja, hoe ?
Antwoord: Ik heb de eer het geachte lid het volgende mede te delen.
1.
a) Er wordt een serieuze inspanning geleverd om binnen de Farmaceutische Inspectie
bijkomend personeel aan te werven. Dit resulteert reeds in een gevoelige uitbreiding van
het aantal mensen in deze dienst. Op dit moment wordt bovendien een reorganisatie
doorgevoerd binnen de Farmaceutische Inspectie. Dit zal onder meer leiden tot de
oprichting van een cel die zich enkel gaat bezighouden met de aanvraag tot registratie van
generische geneesmiddelen. Uit de laatste cijfers blijkt dat de termijn nodig voor het
toekennen van de registratie aan het verminderen is. Ik ben ervan overtuigd dat in de
nabije toekomst deze evolutie zich gaat doorzetten.
b) Ik wijs erop dat de materie van de octrooibescherming niet behoort tot mijn bevoegdheid
maar tot deze van mijn collega van Economische Zaken. Inzake het verloop van de procedure
registratie-prijsbepaling-terugbetaling zijn gesprekken aan de gang met mijn collega's van
Economische Zaken en Sociale Zaken om de procedure te vereenvoudigen en te
bespoedigen.
2.
a) Op dit moment bestaat er geen lijst van originele geneesmiddelen met hun eventuele
generieken.
b) Zoals reeds aangekondigd in mijn verklaring in de commissie Sociale Zaken en
Volksgezondheid op 22 februari 2000 werd een werkgroep opgericht om enerzijds een
inventaris op te maken van de bestaande generica en anderzijds om hun administratieve en
technische gegevens na te trekken en zo nodig aan te passen.
c) De informatie bekomen volgens punt 2.b) zal dan ook op regelmatige tijdstippen
gepubliceerd en verspreid worden onder het medisch-farmaceutisch korps.
Vraag nr. 179 van mevrouw Michèle Gilkinet van 31 juli 2000 (Fr.) :
Aanwending van RIZIV-statistieken.
Naar verluidt worden artsen door handelsvertegenwoordigers van farmaceutische bedrijven
over hun voorschrijfgedrag ondervraagd.
De artsenbezoekers zouden daarbij gebruik maken van precieze verkoopcijfers van bepaalde
soorten geneesmiddelen, en geven daarmee aan dat ze vrij goed op de hoogte zijn van het
voorschrijfgedrag per sector.
Er kunnen inderdaad verkoopstatistieken worden opgemaakt en het RIZIV heeft tot taak de
evolutie van het voorschrijfgedrag te controleren en te registreren, maar er rijzen vragen
omtrent de verspreiding van die gegevens onder farmaceutische bedrijven die nu over
dermate precieze gegevens beschikken dat het voor hen kinderspel is de door een bepaalde
arts afgegeven voorschriften in kaart te brengen.
1. Zijn uw diensten hiervan op de hoogte ?
2. Klopt het dat artsenbezoekers toegang hebben tot de meest
gedetailleerde informatie over de door artsen uitgereikte voorschriften ?
3. Wie kan, meer algemeen, dit soort informatie raadplegen, en hoe
gedetailleerd is de beschikbare informatie (lokalisatie) ?
Antwoord: Alvorens de vragen te beantwoorden die betrekking hebben op
eventuele inzamelingen die voortvloeien uit privé-initiatieven, moet ik het geachte lid
eraan herinneren dat een systeem van inzameling van de voorschrijfgegevens in een
ambulante omgeving (systeem Farmanet) sinds 1996 functioneert en dat het RIZIV daardoor
kan beschikken over gedetailleerde en volledige informatie over de geneesmiddelen die in
het raam van de verplichte verzekering voor elke voorschrijver worden vergoed.
Die gegevens, die per voorschrijver in de Dienst voor geneeskundige verzorging van het
RIZIV worden opgesteld, worden vanzelfsprekend nooit aan iemand buiten die dienst bezorgd,
met uitzondering van de voorschrijver zelf in het raam van de individuele
informatiecampagnes.
Op de drie door het geachte lid gestelde vragen kan ik volgende elementen van antwoord
verstrekken.
1. Mijn diensten zijn op de hoogte van het bestaan van systemen van
parallelle gegevensinzameling die voortvloeien uit privé-initiatieven, maar beschikken
niet over precieze informatie over de wijze waarop de gegevens worden verzameld. Het gaat
waarschijnlijk om inzamelingen via steekproef. Technisch zijn gegevensinzamelingen
denkbaar op verschillende niveaus : bij een groep geneesheren (die de pathologie kennen),
bij een groep apotheken, bij tariferingsdiensten of bij verzekeringsinstellingen. De
groothandelaars zouden ook gegevens kunnen verstrekken over de verkoop van geneesmiddelen,
maar kunnen niet het verband leggen met de voorschrijvers.
2. Als er dergelijke systemen bestaan, kan gedetailleerde informatie over
de voorschriften van een geneesheer worden verzameld (het geneesmiddelenvoorschrift
vermeldt tegelijk het geneesmiddel en het nummer van de voorschrijver). Die gegevens
dekken evenwel niet de volledige activiteit van een voorschrijver. Om volledig te zijn zou
de inzameling moeten worden uitgebreid tot alle apotheken, tot alle tariferingsdiensten of
tot alle verzekeringsinstellingen.
3. Wat betreft het systeem Farmanet, wordt momenteel de overdracht van de
gegevens geregeld in het koninklijk besluit van 29 februari 1996 tot vaststelling van de
gegevens inzake te tariferen verstrekkingen die de tariferingsdiensten aan het
Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering moeten meedelen en tot regeling
van de daaraan verbonden kosten.
De tariferingsdiensten verzamelen de gegevens wat betreft de verstrekkingen verricht door
de bij hen aangesloten apothekers. Zij beschikken dus over alle gegevens met betrekking
tot een beperkt aantal verstrekkingen. Zij zijn verplicht deze gegevens over te maken aan
de verzekeringsinstellingen. Die beschikken dan op hun beurt over al deze gegevens wat
betreft de verstrekkingen die verricht werden met betrekking tot hun aangesloten
leden.
Tenslotte maken de verzekeringsinstellingen deze gegevens geanonimiseerd over aan het
RIZIV, dat beschikt over de totaliteit van deze gegevens. Op het vlak van het RIZIV worden
deze gegevens gecontroleerd en verwerkt in samenwerking met de SMALS-MvM.
Bij de uitwerking van het project " Farmanet-uniek spoor" zal in de
reglementering duidelijker bepaald worden wie toegang heeft tot welke informatie en voor
welke doeleinden, met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Vraag nr. 191 van de heer Filip Anthuenis van 13 september 2000 (N.):
Ziekenhuizen. - Bijhouden van medische gegevens. - Beheer van grootschalige
archieven door firma's.
Volgens het koninklijk besluit van 3 mei 1999, houdende bepaling van de algemene
minimumvoorwaarden waaraan het medisch dossier bedoeld in artikel 15 van de wet op de
ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, moet voldoen, dienen de medische gegevens
30 jaar te worden bijgehouden. Voor firma's die gespecialiseerd zijn in het beheer van
grootschalige archieven rijzen een aantal vragen met betrekking tot de toepassing van dit
koninklijk besluit.
1. Mogen in het kader van het bovengenoemde koninklijk besluit van 3 mei
1999 de medische dossiers van een ziekenhuis door een firma worden gestockeerd op cd die
wordt overhandigd aan het ziekenhuis?
2. Mogen de desbetreffende dossiers eenmaal ingescand buiten het
ziekenhuis worden gestockeerd?
3.
a) Mogen de medische dossiers van overleden patiënten extern worden gestockeerd?
b) Hoelang moeten die gegevens worden bijgehouden?
Antwoord: Ik heb de eer het geachte lid het volgende te antwoorden.
1. Geen enkele bepaling van het koninklijk besluit van 3 mei 1999,
houdende bepaling van de algemene minimumvoorwaarden waaraan het medisch dossier bedoeld
in artikel 15 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, moet
voldoen verzet zich tegen het stockeren van medische dossiers van het ziekenhuis op cd
door een gespecialiseerde firma die dan naderhand worden overhandigd aan het ziekenhuis.
Het ziekenhuis blijft evenwel steeds verantwoordelijk voor het naleven van de bepalingen
van hogergenoemd koninklijk besluit en voor het respecteren van de privacyreglementering.
Zo bepaalt de privacywet (wet van 8 december 1992) bijvoorbeeld in artikel 7, § 2, j),
dat de verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen, verboden is behoudens
wanneer de verwerking noodzakelijk is voor doeleinden van preventieve geneeskunde of
medische diagnose, het verstrekken van zorg of behandelingen aan de betrokkene of een
verwant, of het beheer van de gezondheidsdiensten handelend in het belang van de
betrokkene en de gegevens worden verwerkt onder het toezicht van de beroepsbeoefenaar in
de gezondheidszorg.
2. Artikel 1, § 3, van hogergenoemd koninklijk besuit bepaalt dat het
medisch dossier gedurende minstens 30 jaar in het ziekenhuis dient te worden bewaard. Het
stockeren van medische dossiers buiten het ziekenhuis is dus niet toegelaten.
3.
a) Het medische dossier dient overeenkomstig artikel 1, § 3, van hogergenoemd koninklijk
besluit in het ziekenhuis te worden bewaard zonder dat er een onderscheid gemaakt wordt
tussen dossiers van levende en overleden patiënten. Het stockeren van medische dossiers
van overleden patiënten buiten het ziekenhuis wordt dus niet voorzien zodat men ook moet
aannemen dat deze in het ziekenhuis moeten worden bewaard.
b) Deze gegevens dienen overeenkomstig artikel 1, § 3, van hogergenoemd koninklijk
besluit gedurende 30 jaar in het ziekenhuis te worden bewaard.
Vraag nr. 157 van de heer Alfons Borginon van 22 juni 2000 (N.) :
Opname van patiënten in ziekenhuizen. - Kosten van vervoer bij dagopname.
Men signaleert mij uit de sector het volgende probleem.
Wanneer een patiënt tijdens een opname in een ziekenhuis wordt vervoerd heen en weer naar
een ander ziekenhuis (bijvoorbeeld om aldaar een onderzoek te ondergaan), dan betaalt het
ziekenhuis van opname de vervoerskosten.
Wat nu indien de opname een dagopname betreft?
Volgens sommige ziekenhuizen moet de mutualiteit betalen vermits een dagopname niet als
opname wordt aanzien. Volgens sommige mutualiteiten moet het ziekenhuis betalen vermits
een dagopname wel degelijk een opname is. In het kader van het toezicht op de ziekenhuizen
wordt een dagopname gelijkgesteld met een opname.
In het kader van de verstrekkingen tijdens een dagopname worden die aanzien als ambulante
verstrekkingen en is er dus geen gelijkstelling tussen dagopname en opname. In het kader
van de bespreking van artikel 121 van het wetsontwerp dat artikel 50bis van de
gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor
geneeskundige verzorging en uitkeringen wijzigde omtrent de ereloonsupplementen kwam deze
discussie ook reeds aan bod. De toen afgelegde interpretatieve verklaring van de heer Jan
Lenssens wordt in de discussie als argument gebruikt (Handelingen, Kamer, plenaire
vergadering, 2 december 1998, blz. 10294-10295).
Wie moet de kosten van vervoer betalen bij dagopname?
Antwoord: In de huidige stand van zaken is het antwoord op de vraag van
het geachte lid duidelijk : de kosten van vervoer bij dagopname in een ziekenhuis zijn ten
laste van de patiënt. Desgevallend kan deze kost (of een deel ervan) worden terugbetaald
in het kader van een aanvullende ziekenfondsverzekering van de betrokkene.
Het is enkel in de volgende gevallen dat de kost van het vervoer begrepen is in de
ligdagprijs van het ziekenhuis:
- als het gaat om een transfer van het ene ziekenhuis naar een ander, om daar een medisch
onderzoek te laten plaatsvinden en dat in het eerste ziekenhuis niet mogelijk is; de
patiënt moet nog dezelfde dag terugkeren naar het eerste ziekenhuis;
- als het gaat om een vervoer tussen twee campi van hetzelfde ziekenhuis.
In het kader van de plannen voor een verregaande hervorming van de financiering van de
ziekenhuizen, kan deze problematiek met betrekking tot het chirurgisch dagziekenhuis aan
bod komen.
Vraag nr. 173 van de heer Yves Leterme van 8 september 2000 (N.) :
Erkenning van geneesheren. - Specialisten, stagemeesters en stagediensten. -
Nieuwe algemene criteria. - Controle.
Op 30 april 1999 werd een ministerieel besluit uitgevaardigd door de toenmalige minister
van Volksgezondheid met nieuwe algemene criteria voor de erkenning van de
geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten.
Er werden in het bijzonder onder meer een aantal regels uitgevaardigd met betrekking tot
de wachtdiensten, de verlofdagen en de vergoeding van de geneesheren-specialisten in
opleiding.
De nieuwe regels hielden een verbetering in van het statuut van de specialisten in
opleiding. Nieuwe regels stellen echter weinig voor indien er geen controle is.
1. Door welke diensten wordt er toezicht uitgeoefend op de naleving van
het bovengenoemde ministerieel besluit van 30 april 1999 ?
2. Gaan die diensten ter plaatse in de stagediensten op controle ?
3. Hoeveel controles werden er tot op heden uitgevoerd?
4. Welke overtredingen worden er desgevallend in orde van belangrijkheid
vastgesteld ?
5. Hoe wordt de nieuwe regeling door de erkenningscommissie geëvalueerd
?
Antwoord:
1. Het ministerieel besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van de
algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en
stagediensten, valt onder de bevoegdheid van de dienst geneeskundepraktijk van het bestuur
der Gezondheidszorgen van het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu.
De Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen, die opgericht is bij het
ministerie van Volksgezondheid, is bevoegd voor de kwaliteitsbewaking van stagemeesters en
stagediensten, en dit in samenwerking met de dienst geneeskundepraktijk.
Het instrument ter controle op de naleving van " een aantal regels uitgevaardigd met
betrekking tot de wachtdiensten, de verlofdagen en de vergoeding van de
geneesheren-specialisten in opleiding " wordt aangebracht door artikel 3, § 2, van
bovengenoemd ministerieel besluit van 30 april 1999 dat stelt : " Daarenboven brengt
de kandidaat-specialist jaarlijks een vertrouwelijk verslag uit aan de geneesheer leidend
ambtenaar van de directie geneeskundepraktijk betreffende de kwalitatieve en de
kwantitatieve aspecten van zijn stage volgens het model bepaald door deze administratie.
Deze verslagen zullen dienen als een van de elementen om de stagemeester en de stagedienst
regelmatig te herevalueren. "
Momenteel moet het model van het jaarlijks vertrouwelijk verslag nog door de Hoge Raad van
geneesheren-specialisten en huisartsen worden goedgekeurd.
2. Door middel van visitatiecommissies naar aanleiding van aanvragen tot
erkenning als stagemeesters en stagediensten worden er ter plaatse controles
uitgevoerd.
3. Het aantal visitatiecommissies dat tussen mei 1999 en oktober 2000
door de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen of in opdracht van deze
laatste, door de erkenningscommissies zijn uitgevoerd, bedraagt 23.
4. Ondanks geruchten van lange arbeidsdagen zijn er momenteel nog geen
overtredingen naar feiten en naar recht kunnen vastgesteld worden. Zolang de vraag van
kandidaten naar een stageplaats, het aanbod van stageplaatsen overtreft, zullen er steeds
geruchten zijn van overtredingen.
5. De kwaliteitsbewaking van stagemeesters en stagediensten gebeurt door
de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en huisartsen, niet door de
erkenningscommissies.
01 Mondelinge vraag van mevrouw Greta D'Hondt aan de minister van Sociale Zaken en
Pensioenen over "de patiënten met chronische ziekten" (nr. 2615)
01.01 Greta D'Hondt (CVP): Op basis van een onderzoek
naar de toekenning van het zorgforfait aan chronisch zieken, schuiven de Christelijke
Mutualiteiten (CM) een aantal prioriteiten naar voren. In het licht van de
beleidsvoorstellen van de minister werd gepeild naar wat chronisch zieken belangrijk
vinden. Financiële maatregelen - een hoger inkomen - genieten de hoogste prioriteit. Ook
de verdere uitbouw van de hulpverlening aan huis vinden de zieken belangrijk.
Wat denkt de minister over de resultaten van het onderzoek van de CM en over hun
voorstellen in verband met de chronisch zieken?
Wanneer zullen die voorstellen in wetgeving worden omgezet?
Voor wanneer mag de uitbreiding van het zorgforfait voor chronisch zieken die niet
zorgafhankelijk zijn, maar hoge gezondheidsuitgaven hebben, worden verwacht?
Voor welke initiatieven zal het 1,5 miljard worden aangewend waarin de begroting 2001 voor
de chronisch zieken voorziet? Ik heb er geen moeite mee als de minister voor zijn antwoord
op sommige vragen naar zijn beleidsbrief, die later vanmiddag besproken wordt, zou
verwijzen.
01.02 Minister Frank Vandenbroucke : Ik heb het deel
betreffende het inkomen van chronisch zieken in het onderzoek van de CM reeds ingekeken,
maar heb dit nog niet grondig genoeg kunnen doen. Er zijn nog verschillende andere studies
over het inkomen van langdurig zieken. Ook die studies zullen worden onderzocht.
Er is een aantal maatregelen genomen die in het beleidsplan zijn opgenomen, wat later
wordt besproken.
Eén maatregel is het systeem van de maximumfactuur. Een eerste onderdeel daarvan is de
inbreng van geneesmiddelen. Dit zal door middel van een KB gebeuren voor de sociale
franchise; inzake de fiscale franchise moet dit gebeuren door een wijziging van de
wetgeving.
Ik wens de maximumfactuur niet in een programmawet te stoppen, maar wil daarvoor een apart
wetsontwerp opstellen en een grondig debat daaromtrent voeren in het Parlement.
Het zorgforfait bereikt vandaag 45.000 zieken. Een aantal mensen valt daarbuiten. Daarom
willen wij een criterium toevoegen. Als men de voorbije twee jaar 120 dagen in het
ziekenhuis verbleef of zesmaal werd opgenomen, komt men in aanmerking voor het
zorgforfait. Natuurlijk gelden ook nog de financiële voorwaarden. Op die manier zullen
100.000 zieken in aanmerking komen voor het forfait.
Ik verhoog het incontinentieforfait van 10.000 naar 15.000 frank.
Ik heb op 12 oktober een advies over deze maatregelen gevraagd aan de Raad van State.
Voor de maximumfactuur heb ik een bedrag van 1,4 miljard in de begroting van 2001
ingeschreven. Voor specifieke terugbetalingen is dat 1,5 miljard.
Het incident is gesloten.
05 Mondelinge vraag van mevrouw Trees Pieters aan de minister van Sociale Zaken en
Pensioenen over "de schaalvergroting in Belgische ziekenhuizen" (nr. 2651)
05.01 Trees Pieters (CVP): De overheid gaat er de laatste decennia van
uit dat schaalvergroting in de ziekenhuizen voor schaalvoordelen zorgt. Ze heeft via
allerlei normen en wetten ingegrepen in de schaalgrootte. Het minimumconcept van het einde
van de jaren tachtig zorgde ervoor dat heel wat ziekenhuizen moesten fuseren of sluiten.
Onlangs werd een nieuw onderzoek afgerond omtrent de vraag of grotere ziekenhuizen
effectief goedkoper werken dan kleinere. Bestaan al dan niet die schaalvoordelen die als
verantwoording voor het beleid van de overheid worden gehanteerd? Volgens deze studie is
er geen causaal verband tussen de grootte van de ziekenhuizen enerzijds en het bedrag van
de verpleegdagprijs anderzijds en zijn grotere ziekenhuizen qua ligdagprijs niet
goedkoper.
Er kan dus niet worden beweerd dat grotere ziekenhuizen goedkoper zouden zijn voor de
overheid of rendabeler zouden werken dan de kleinere. De kleinste ziekenhuizen scoren hier
vaak het slechtst, maar hetzelfde geldt voor de grootste ziekenhuizen.
Is het resultaat van deze studie realistisch en moet de overheid een nieuw
ziekenhuisconcept qua omvang voordragen?
05.02 Minister Frank Vandenbroucke : Ik ben niet op de hoogte van de
betrokken studie maar heb er zeer veel interesse voor. Op basis van de budgetten B1,
waarvan de laatste dateren van 1994, kan onmogelijk worden vastgesteld of door de fusies
schaaleffecten zijn opgetreden. Het verband tussen de grootte van het budget B1 en de
reële kost zal verminderen vanaf 2001 aangezien dan een nieuwe berekeningswijze wordt
gehanteerd, die het beschikbare budget op een totaal andere manier zal verdelen.
In het KB van 31 mei 1989 is bepaald dat de maximale grootte van een fusie de 1000 bedden
niet mag overschrijden. Vanaf 1 januari 2002 zal elke fusie buiten de grote agglomeraties
trouwens maximaal over 700 bedden mogen beschikken. Door deze vermindering willen we
vermijden dat in de toekomst nog te omvangrijke ziekenhuizen tot stand zouden komen.
Ik ben ervan overtuigd dat ziekenhuizen van 400 à 500 bedden zeer performant zijn. Er is
geen enkel argument om naar ziekenhuizen van 800 tot 900 te streven.
05.03 Trees Pieters (CVP): Ik heb met de auteur van betrokken studie een
gesprek gehad. Het is een studie van de EHSAL. Hij werkt zelf in een gefuseerd ziekenhuis
met een vierhonderdtal bedden en weet dus waarover hij spreekt.
Ik stel vast dat er momenteel op heel wat plaatsen ziekenhuizen zinnens zijn te fuseren.
Het gaat dus om een problematiek waarvan we het belang zeker niet mogen onderschatten.
Het incident is gesloten.
Vorige Inhoud  Volgende
|