Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

Nr 9 - December 2000

Vorige nummer VorigeArchieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende

WETSVOORSTEL EUTHANASIE / AMENDEMENTEN

Het VBS nam kennis van de recentste amendementen die voorgesteld werden door de senatoren Mahoux, Leduc, Monfils, Vanlerberghe, De Roeck en Vankrunkelsven.
Wij geven ons rekenschap van de kwaliteit van het denkwerk dat hierbij geleverd werd t.a.v. deze uiterst moeilijke, quasi onoplosbare medisch-ethische vraagstelling. De geamendeerde tekst tracht een antwoord te geven op een aantal vragen en bezwaren die in het debat naar voren kwamen. Desondanks blijft over het geheel een schaduw hangen. De schaduw van onbeantwoorde vragen zowel wat de bescherming van de lijdende mens betreft, als m.b.t.meer procedurele aspecten. De schaduw van onvoldoende beleidsimpulsen om de euthanasievraag van het lijdend individu in eerste instantie als een vraag naar hulp te behandelen, en hem doorheen zijn uitzichtloze levensstrijd te begeleiden in een passend professioneel ondersteund zorgcontinuüm. En, als men daaraan blijft tekortschieten: de quasi voorspelbaarheid dat men euthanasie dreigt toe te passen, om het even hoe en om het even waar, in een zich als maar veralgemenende normvervaging, maar wel onder de formeel strikte en zorgvuldige naleving van de wettelijke procedurevereisten.

In de amendementen wordt geen enkel fundamenteel -en in feite vooral formeel of procedureel- onderscheid gemaakt tussen:

1.- de begeleiding van de stervende of "terminale" patiënt, en de hulp bij "zelfdoding" van de patiënt waarvan "le décès n'interviendra manifestement pas à brève échéance".

2.- het stellen van medische handelingen die het overlijden tot gevolg hebben, en medisch niet-handelen of verregaande pijnbestrijding.

3.- de wilsbekwame en de niet-wilsbekwame patiënt.

Het feit dat geen onderscheid gemaakt wordt tussen terminale en niet-terminale patiënt, levert een fundamenteel bezwaar tegen de geamendeerde tekst, niet alleen om principiële redenen, maar ook omdat dit tot gevolg heeft dat een aantal belangrijke problemen onopgelost blijven. In het geval van de terminale patiënt bestaat er ongetwijfeld voldoende duidelijkheid over de fatale afloop van de situatie, en kunnen de artsen hun handelen afstellen op het algemeen kader van een medisch-professioneel consensusmodel. Bij niet-terminale patiënten -en zeker als men dit in een ruim gedefinieerd veld van subjectief ongeneesbare situaties stelt- ligt dit volledig anders.

1e onopgelost probleem
" Situation médicale sans issue" / "décès à longue échéance ":

Dergelijke situatie zal steeds een mogelijkheid tot controverse inhouden, naargelang het medisch standpunt, het inzicht in de evolutie van de medische wetenschap, de beschikbare middelen, een mogelijk alternatief antwoord op de hulpvraag, enz... 
Wie kan oordelen in die gevallen waarvoor de medische opvattingen even uiteenlopend zijn als over het begrip " euthanasie " zelf ? De redenering berust op een sofisme: stellen dat het advies van 2 geneesheren altijd beter is dan 1, en 3 nog beter dan 2. Als er onder de échte vaklui van een bepaalde pathologie geen consensus bestaat, kan men zich inderdaad afvragen of zoiets zin heeft. Wordt het dan geen loting?

Wat niet wegneemt dat de tussenkomst van een psychiater, liefst deskundige in de levenseinde-problematiek, van fundamenteel belang zal zijn, helaas niet -en zeker niet alleen - als (bijna gerechtelijk) expert ("Ik ondergetekende, stel vast dat het de patiënt menens is"), maar vooral curatief en palliatief. 

Waar men hier de niet-terminale patiënten bedoelt, kan het hoogstens gaan over zeer uitzonderlijke gevallen. Hoe kan een medische consensus bestaan over uitzonderlijke gevallen ? 

Zelfs de 16 (vaste) leden van de evaluatiecommissie kunnen hier geen redelijke a posteriori evaluatie geven. De 8 artsen behoren vermoedelijk tot verschillende specialismen ; de vier juristen zijn uit de aard der zaak onbevoegd ; de vier leden " afkomstig uit de middens... " kunnen ook niet bevoegd zijn voor alle ongeneeslijke aandoeningen. Het a posteriori advies zal dus vermoedelijk niet meer dan een tweede loting zijn. Het systeem alleen al vertrekt van het (misschien onbewuste) vermoeden van de auteurs dat er mogelijks geen consensus bestaat (2/3 meerderheid). 

Kan men medisch handelen funderen op iets anders dan (minstens) een consensus ? Zeker als het gaat om medisch handelen met een irreversibele afloop ?

In de definitie moet minstens ingelast worden dat de " situation médicale sans issue et... " wordt aangevuld met " Il s'agit de cas exceptionnels, au sujet desquels il existe un consensus médico-scientifique confirmé par la Commission d'Evaluation quant au caractère grave et incurable de la pathologie, entrainant une souffrance et une détresse constantes et insupportables pour le patiënt, et pour lesquels la médecine ou les soins palliatifs ne peuvent plus lui offrir aucun espoir de rémission."

Het is immers wenselijk dat dergelijke medisch-wetenschappelijke consensussen minstens aan het voorafgaand advies van de Evaluatie-commissie worden voorgelegd zodat, op evolutieve wijze, het pathologisch referentiekader kan worden bepaald, waarbinnen euthanasieverzoeken volgens de wettelijke procedure behandeld kunnen worden. Euthanasie kan niet in het wettelijk "luchtledige" uitgevoerd worden!

2e onopgelost probleem
(Steeds in het geval van een niet-terminale patiënt)

Vermoedelijk zal de patiënt eerst mondeling de vraag formuleren t.a.v. iemand die betrokken is bij zijn behandeling. De behandelende arts zal bijgevolg zelf - wat in feite al zijn stilzwijgende instemming impliceert - vragen een schriftelijk verzoek op te stellen, en er desnoods een getuige bijhalen (of ervoor zorgen dat die erbij wordt gehaald). De arts is immers de enige persoon in het geheel, op wie de verplichting weegt de procedure na te leven. 

Vraag 1 : Kan men dan nadien niet betwisten dat het echt de wilsbeschikking is van de patiënt ? Of schreef men het op verzoek van de geneesheer ? Heden ten dage hechten de rechtbanken ook al geen vertrouwen aan schriftelijke verklaringen waaruit moet blijken dat de arts zijn informatieplicht heeft nageleefd (informed consent). Hetzelfde geldt voor de 2de en desgevallend 3de arts. Het psychiatrisch verslag is uiteraard niets anders dan een expertise-verslag

Vraag 2: is de getuige wel alleen maar " getuige " ? Zonder hem kan immers de procedure niet doorgaan. Is hij niet een " medeplichtige " wanneer a posteriori betwistingen komen vanwege familieleden , of gewoon wanneer de evaluatiecommissie haar 2/3 meerderheid niet haalt.
Als de patiënt is opgenomen in ziekenhuismilieu zal hij alleen zo'n getuige vinden onder de personen die betrokken zijn bij zijn behandeling. Wie gaat zich trouwens voldoende betrokken voelen om op zo'n vraag in te gaan? Tenzij hij aan een familielid vraagt iemand mee te brengen. Is die dan noodzakelijkerwijze betrouwbaarder dan een familielid zelf?. 

3e onopgelost probleem
(Nog steeds in geval van de niet-terminale patiënt)

Als patiënt niet kan tekenen moet het vermeld worden, met de redenen. Vermits alleen een a posteriori evaluatie wordt voorzien, is de kroongetuige over de rechtsgeldigheid van het schriftelijk verzoek van de niet-handschrift-bekwame patiënt, nl. hijzelf, al overleden.

De elementen van probleem 2° hierboven wegen in dit geval uiteraard nog zwaarder.
Beschikt de arts wel over de middelen om na te gaan of de rechtsgeldigheid van het verzoek onbetwistbaar is? Zou het niet wenselijk zijn dat het verzoek (zeker als het ongetekend is) preventief wordt voorgelegd aan de evaluatiecommissie? Of dat een onafhankelijke vertegenwoordiger van de overheid (bvb. Ambtenaar van de burgerlijke stand) de stervenswil 'in dit stadium' ondubbelzinnig moet verifiëren ( zoals ook andere levensbepalende gebeurtenissen tegenover/door de overheid moeten aangegeven/geacteerd worden; zo er betwistingen ontstaan na de euthanasie, zal het wellicht vaak een twijfel omtrent de stervenswil betreffen; een derde kan immers steeds aanvoeren dat die niet permanent of indubbelzinnig door de patiënt uitgesproken was. 

4e onopgelost probleem
(Wat betreft de niet-terminale patiënt)

Als de men de toestand van de patiënt als vertrekpunt neemt, gelet op de definitie die in §1 wordt gegeven, dan bevindt de arts zich ongetwijfeld in een van de gevallen waar hij het recht moet hebben om niet noodzakelijk de (volledige) toedracht van de situatie aan de patiënt mede te delen. " Hoop doet leven " (en omgekeerd). De arts beseft in dat geval dat zijn informatie over de situatie van de patiënt een vraag naar euthanasie kan (zal ? Zeker als hij weet heeft van een vooraf getekende wilsverklaring van de patiënt) induceren. Onafgezien van het feit dat de arts met die beslissing op zijn geweten zal moeten blijven leven, stelt zich de vraag of dit niet a posteriori aan de arts kan verweten worden (aansprakelijkheid) door naastbestaanden van de patiënt.

Bovendien gaat men, wat de "waarheidsmededeling" betreft tenonrechte uit van een bijna 19e eeuwse opvatting van "overdracht van kennis van de geneesheer naar de patiënt". Betreffende dat laatste zijn de voorwaarden voor "correcte kennis" (een begrip uit de 19e eeuw; weet de geneesheer het toekomstig verloop exact te voorspellen?), even zeer als voor het "correct begrip" (is de patiënt in staat het feit van zijn uitzichtloos lijden in al zijn consequenties en de onzekerheid daarrond te begrijpen) in veel situaties niet vervuld.

In het algemeen zouden patiëntenrechten in "recht op communicatie" eerder dan in "recht op kennisoverdracht" moeten geformuleerd worden; "kennisoverdracht" ( de geneesheer weet alles, de patiënt weet niets en zal na kennisoverdracht alles weten én kunnen beslissen) is bij emotioneelgebonden materies zoals levensbedreigende aandoeningen, meestal een onoplosbaar probleem, al wordt dit vandaag telkens als een voor de hand liggend uitgangspunt geformuleerd, hoe simplistisch ook, voor de meest zwaarwichtige juridische vraagstellingen. Simplistisch, want tegelijkertijd verwijt men dan aan de artsen hun "beter-weten" als een voorbijgestreefde paternalistische houding. 

5e onopgelost probleem

Als men zonder een duidelijk referentiekader te scheppen, ook de niet-terminale patiënt in aanmerking neemt, dreigt er dan niet onvermijdelijk een verwarrend kluwen rond het begrip euthanasie te ontstaan, waardoor de redenering van euthanasiërend ingrijpen gaat overslaan op ander medisch handelen dan wat hier stricto sensu wordt bedoeld. Dreigt er geen schemerzone te ontstaan waarbij, in geval van zwaarlijdende patiënten of personen die zich in een uitzichtloze toestand bevinden en die aan een natuurlijke doodsoorzaak overlijden, elk medisch handelen (of niet-handelen) dat eraan voorafging, als niet rechtsgeldige euthanasie, m.a.w. als een misdrijf of een misdaad dreigen gekwalifieerd te worden, tenzij de arts het tegenovergestelde kan bewijzen. Want de handelingen werden verricht zonder enig verzoek van de patiënt en zonder de toepassing van de procedure, met daarenboven nog het bezwarend feit dat geen aangifte werd gedaan.

6e onopgelost probleem

Een gelijkaardige omkering van de bewijslast ontstaat automatisch zodra er iets gebeurt met de patiënt in de tijdspanne die verloopt in de tussentijdse periode (meer dan een maand).

Vanaf het ogenblik dat het bewijs bestaat dat een verzoek van de patiënt geformuleerd werd (schriftelijk of mondeling) dreigt ook ander medisch handelen (of niet handelen) dat gevolgd wordt door het overlijden van de patiënt als euthanasie gekwalifieerd te worden. Wanneer de patiënt overlijdt vóór de voleindiging van de procedure, zal men ervan uitgaan dat de behandelende geneesheer -weliswaar wegens overmacht- een inbreuk heeft gepleegd op de wettelijke voorschriften. Maar de volledige bewijslast van die overmacht ligt duidelijk bij hem.

7e onopgelost probleem
(zonder duidelijk referentiekader en bij niet-terminale patiënt)

Art 3,§1 van het voorstel zegt: "…ne commet pas d'infraction". Een "inbreuk" dus: misdrijf of misdaad?

Door het ontbreken van een " duidelijk " medisch-wetenschappelijk referen-tiekader voor de situaties in de zin van de definitie die in het wetsvoorstel wordt gegeven, ligt het volledige gewicht van die beslissing in de formele aspecten. 

Aan de artsen zou minstens de rechtszekerheid moeten geboden worden dat dit referentiekader aanvaard wordt door de evaluatiecommissie. Immers het bewijs dat patiënt zich in een van die gevallen bevindt, ligt bij de artsen die bij de procedure betrokken worden.

8e onopgelost probleem

Aansluitend bij het voorgaande: burgerlijk blijven de geneesheren die betrokken zijn bij de procedure steeds aansprakelijk bij de minste formele tekortkoming t.o.v. de formele procedurevereisten

9e onopgelost probleem

De wilsverklaring. Tijdelijke wilsonbekwaamheid: wie gaat kunnen weten dat er een herstel is geweest als de patiënt nadien opnieuw wilsonbekwaam is geworden? Wie kan nog uitklaren of de patiënt tijdens zijn herstelperiode bewust aan zijn wilsverklaring van bvb. het jaar voordien heeft gedacht? 

Het vertrekpunt is dat een wilsverklaring steeds kan herroepen worden. Ook hier berust de redenering op een sofisme. De persoon die inmiddels niet langer wilsbekwaam is, kan zijn eigen doodswens niet meer herroepen. Kan men dan uitvoering geven aan een wilsverklaring die de persoon ooit opstelde, misschien in een zwaarmoedige bui, doch om welke reden ook, weze het onachtzaamheid, vergetelheid, niet tijdig heeft kunnen herroepen? Bij de toelichting wordt gesteld dat de wilsverklaring slechts een indicatieve waarde heeft. Uiteraard, vermits ze steeds wordt opgesteld in abstracto, evenzeer als een gemandateerde zijn rol slechts kan aanvaarden in abstracto.

O.i. kan met een wilsverklaring geen rekening gehouden worden bij een niet-terminale patiënt. Misschien kan in een extreem geval de evaluatiecommissie rechtstreeks bij de beoordeling betrokken worden, alvorens euthanasie gepleegd zou kunnen worden, uitgaande van een verzoek van de naastbestaanden (of gemandateerden) en de behandelende en geraadpleegde artsen.

10e onopgelost probleem: art 7

Art 7 voorziet dat euthanasie gelijkgesteld wordt met natuurlijke dood voor wat de uitvoering van o.m. verzekeringscontracten betreft die werden aangegaan minstens één jaar vóór het overlijden. Voor de niet-terminale patiënt stelt zich dezelfde vraag al lijkt het probleem zich gans anders voor te doen. De oorzaak van de toestand waarin hij zich bevindt, kan een ziekte zijn, een ongeval of zelfs een mislukte poging tot zelfmoord. Is het dan niet logisch, voor wat de juridische consequenties betreft, diezelfde oorzaak tevens als deze van het levenseinde te beschouwen, wanneer euthanasie wordt toegepast volgens de wettelijke voorschiften? 

In geval patiënt zich in een situatie van uitzichtloos (al of niet terminaal) lijden bevindt als gevolg van onopzettelijke of opzettelijke slagen en verwondingen: wordt de dood na euthanasie dan ook gelijkgesteld met natuurlijke dood, dan wel met onopzettelijke resp. opzettelijke doodslag door de degene die voor slagen en verwondingen verantwoordelijk wordt geacht?
Verlicht of verzwaard m.a.w. de euthanasie het delict van degene die bvb. voor een auto-ongeval verantwoordelijk was? Geen van beide mogelijkheden lijkt wenselijk. Idem als de uitzichtloos lijdende het slachtoffer was van een "therapeutisch ongeval".

Waarom "natuurlijke dood" en juist "minstens twaalf maanden"? Principieel is het uitgangspunt dat niemand enig voor- of nadeel hoeft te kunnen binden aan de euthanasieprocedure. 
Het verzekeringsaspect blijkt alleen onderzocht vanuit de problematiek van de levensverzekering (uitsluiting zelfmoord), zonder evenwel rekening te houden met de situatie die kan ontstaan uit een mislukte zelfmoordpoging. Er zijn evenwel nog heel wat andere verzekeringpolissen. Voor een verzekeraar zal het een aanzienlijk verschil uitmaken wanneer bij een overlijdens-vergoeding dan wel een jarenlange invaliditeitsvergoeding moet uitkeren (polis gewaarborgd inkomen, groepsverzekering, individuele ongevallen-verzekering).

Belangrijk zou o.i. zijn de patiënt de wettelijke bescherming te geven dat elk beding m.b.t. euthanasie wettelijk verboden is.

Tenslotte betreuren wij dat de amendementen slechts in één enkele taal beschikbaar zijn. Het ligt voor de hand dat in deze ingewikkelde materie het woordgebruik een bijzonder belangrijke rol speelt.
  

Vorige nummer VorigeArchieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp