Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

Nr 7 - September 2000

Vorige nummer VorigeArchieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende


DE ETHISCHE POSITIE VAN DE ARTSEN TEGENOVER DE GENEESMIDDELENINDUSTRIE

Voordracht gehouden door VBS-Secretaris-generaal, Dr Marc MOENS, ter gelegenheid van een debatavond te Oostende, op 8 september 2000, georganiseerd door de Belgische Verenigingen voor Medische Moraal en Ethiek, in samenwerking met de Koninklijke Geneesheren Vereniging van Oostende. Dr MOENS sprak in zijn functie van BVAS-Voorzitter.



1. SITUATIESCHETS

De houding die de Overheid heeft aangenomen tegenover de geneesmiddelensector in de jaren 90 vertoont enkele gelijkenissen met het verhaal van de klinische biologie in de jaren 80. Via de media wordt de actoren, in dit geval de voorschrijvende artsen en de farmaceutische industrie een soort schuldgevoel opgedrongen, door continue verdachtmakingen die op anonieme wijze worden geformuleerd, en die de ganse groep in diskrediet brengen.

Bij wijze van voorbeeld verwijs ik naar een artikel in "De Morgen" van 31.03.1998 dat heel wat beroering verwekte: "Geneesmiddelenindustrie lokt dokters met zwart geld", naderhand dik in de verf gezet door de Onafhankelijke Ziekenfondsen in hun ledenblad "Profiel van het leven" nr. 46, juli-augustus 1998 onder de titel "Centen per voorschrift". Ik citeer"…Artsen met een florissante praktijk kunnen zo 10.000 frank per dag, of meer, onder tafel bijverdienen…".

LOZ-secretaris-generaal, Daniël FERETTE, heeft zich in het volgende nummer weliswaar verontschuldigd, en er werden twee rechten van antwoord gepubliceerd. Toch kunnen we ons, zoals ook de Orde der Geneesheren in zijn vergadering van 2 augustus 1998 opmerkte, niet van de indruk ontdoen, dat het Onafhankelijk Ziekenfonds de inhoud van dergelijke artikels onderschrijft. De brief vanwege de Nationale Raad aan de heer D. FERETTE werd niet in "Profiel" gepubliceerd. (Tijdschrift Nationale Raad Orde van Geneesheren. Vol. VII nr. 82, december 1998.)

Toen de Algemene Vereniging van de Geneesmiddelenindustrie (A.V.G.I.) op 3 maart 1999 de "Belgian Health Summit" organiseerde in Brussel, met deelname van beleidsverantwoordelijken uit de verschillende sectoren van de gezondheidszorg en van de betrokken ministers, ging in de TV-journaals de meeste aandacht naar een pseudo-ludieke SP-verkiezingsactie van toenmalige ex-vice-premier Johan VANDE LANOTTE, met zijn toenmalige Oostendse kompaan, Reddy DE MEY, tegen de reclame van de "kooplieden in de gezondheidstempel" m.a.w. tegen de farmaceutische industrie, en naar de platte boutade van ex-premier Jean-Luc DEHAENE die de uitspraak van zijn vader-psychiater in herinnering bracht: "Geneesmiddelen dienen om patiënten gerust te stellen; zijn familieleden schreef hij die niet voor". De rest van de commentaar werd beperkt tot de titel van de studiedag: "De patiënt staat centraal".

Projecten van artsen waarbij de farmaceutische industrie als partner of als sponsor wordt betrokken, worden met twee maten en twee gewichten beoordeeld al naargelang de initiatiefnemers. Ter illustratie vermeld ik dat bij de oprichting van de "Belgian Stroke Council" door universitaire clinici en vertegenwoordigers van farmaceutische laboratoria, de pers (cfr. La Libre Belgique-24.05.2000) positief berichtte over de doelstellingen, met name het uitbreiden van de wetenschappelijke kennis over het cerebrovasculair accident, het optimaliseren van de zorg en het bijdragen tot de specifieke opleiding van de artsen in dit domein.

Zodra uitlekte dat de v.z.w. Media Medica zou worden opgericht op initiatief van een voorman van de Belgische Vereniging van Artsensyndicaten, Dr. Roland LEMYE, met de bedoeling de lokale kwaliteitsevaluatiegroepen (LOK's) discussiestof en een forum aan te bieden over de kwaliteit van zorg in onze verscheiden praktijken, verschenen in de media kritische (zoals Dirk DE WILDE in "De Morgen" van 28.02.2000 : "Farmaceutische bedrijven sponsoren rationeel voorschrijfgedrag artsen") of ronduit beledigende commentaren (zoals Isabelle LEMAL in "Le Soir" van 29.03.2000 : Le rêve fou du Dr. LEMYE. Si on privatisait l'évaluation médicale?". Nochtans hebben de initiatiefnemers er angstvallig over gewaakt elke collusie met de farmaceutische industrie te vermijden.
Het LOK-magazine dat in mei 2000 het levenslicht zag wordt gefinancierd via de publicitaire inbreng van de adverteerders, waaronder, nota bene, ook advertenties voor generische geneesmiddelen. Het redactioneel charter voorziet in een aantal garanties o.m. wat betreft redactionele onafhankelijkheid (vrijwaring van elke politieke, syndicale, commerciële of confessionele druk) en pluralisme.

2. ENKELE ELEMENTEN UIT DE BELGISCHE EN INTERNATIONALE REGELGEVING

2.1. Orde der Geneesheren

In de "Code van geneeskundige plichtenleer" opgesteld door de Nationale Raad van de Orde der Geneesheren, is quasi niets terug te vinden over de ethische positie van artsen tegenover de geneesmiddelenindustrie. Alleen het artikel 179 §3 stelt dat de geneesheer niet tezelfdertijd de geneeskunde mag uitoefenen en fabrikant of verdeler zijn van geneesmiddelen, geneeskundige of prothese-apparaten.

De Vergadering van de Nationale Raad van 20 januari 1990 bevestigde in concreto dat een geneesheer-directeur van een farmaceutisch laboratorium zijn medische praktijk moet stopzetten.
In een "Vrije Tribune" in het maartnummer 1995 van het "Tijdschrift Nationale Raad Orde van Geneesheren", volume IV, nr 67, merkten de dokters KAHN, BARBIER en BERNAERTS op dat de Code tekort schiet op het gebied van de relaties tussen medische wereld en geneesmiddelenindustrie.

Een aantal leden van de Orde heeft destijds overleg gepleegd met de bestuurders van de AVGI en zij hebben een aantal wijzigingen voorgesteld aan de toen meest recente editie van de Code voor deontologie van de AVGI, opgesteld in maart 1993. Deze AVGI-code werd inmiddels op 30 november 1999 gewijzigd en is een opmerkelijk degelijk werkstuk. De opmerking van KAHN et al. blijft echter gelden: niet alle relaties tussen het artsencorps en de gehele geneesmiddelenindustrie kunnen via de AVGI-code worden geregeld. In tegenstelling tot de artsen kiezen de farmaceutische firma's immers vrij of zij zich onderwerpen aan het gezag van de AVGI, dan wel of zij uit de beroepsvereniging stappen.

Relativerend kunnen we er aan toevoegen dat ook niet alle artsen hun lidgeld aan de Orde betalen, alhoewel dit wel degelijk een wettelijke verplichting is waar bij weigering tot betaling, sancties in de wet zelf staan beschreven.

De Nationale raad heeft op 22 augustus 1992 een advies gegeven over "Experimenten met geneesmiddelen" (Tijdschrift Nationale Raad Orde van Geneesheren, december 1992, vol. I, nr 58, pag. 20). Zij stelde dat het aanvaarden van een som geld en een geneesmiddelenmonster per geopend dossier - het betrof een proef met een product dat oorspronkelijk niet werd toegepast bij de behandeling van metastatische prostaatkanker - ethisch en deontologisch onaanvaardbaar is.

Op 21 september 1994 en 18 februari 1995 sprak de Nationale Raad zich uit over het werven van patiënten en het uitvoeren van experimenten (Tijdschrift Nationale Raad Orde van Geneesheren, juni 1995, vol. IV, nr 68, pag. 29).

Het initiatief voor een experiment op de mens moet uitgaan van een geneesheer of een groep geneesheren, regelmatig ingeschreven bij de Orde en moet volledig onafhankelijk zijn t.o.v. om het even welke farmaceutische firma. Het protocol moet goedgekeurd worden door een commissie voor ethiek, die werd erkend door de Nationale Raad.

De geneesheer, verantwoordelijk voor het experiment moet, na een grondige voorlichting, de vrije toestemming van de proefpersoon bekomen.

In hetzelfde nummer adviseert de Nationale Raad dat het ethisch en deontologisch onaanvaardbaar is dat een farmaceutische firma zich zou richten tot de huisartsen van de regio van een bepaald ziekenhuis, om hen er op te wijzen dat in dat ziekenhuis klinische proeven fase III worden uitgevoerd met een van haar geneesmiddelen en om hen er op te wijzen dat hun patiënten de kans wordt geboden mee te werken aan deze proeven.

In zijn vergadering van 30 oktober 1999 herhaalde de Nationale Raad van de Orde, gepubliceerd in het Tijdschrift Nationale Raad Orde van Geneesheren, vol VIII, nr 87, maart 2000, dat bij de rekrutering van patiënten voor een klinische studie of ter aanbeveling van een welbepaald ziekenhuis het solliciteren van huisartsen door een geneesheer, in dienst van een farmaceutische firma onaanvaardbaar is.

Tenslotte wijzen we nog op artikel 10, onder het hoofdstuk II, "Algemene plichten van de geneesheer": "De geneeskunde mag in geen geval en op geen enkele wijze als een handelszaak worden opgevat.". In de context van de relaties met de farmaceutische industrie hoeft dit artikel geen verder betoog.

2.2. Belgische Wetgeving

2.2.1. De Wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen (B.S. 17 april 1964) gewijzigd bij Wet van 21 juni 1983 (B.S. 15 juli 1983)

Artikel 10 luidt als volgt:
"Het is verboden bij de levering van geneesmiddelen rechtstreeks of zijdelings premies of voordelen aan te bieden. Het is aan de fabrikanten, invoerders en groothandelaars van geneesmiddelen verboden, rechtstreeks of zijdelings premies of voordelen aan te bieden of te verlenen aan personen die geneesmiddelen mogen voorschrijven. Het is verboden premies of voordelen te verzoeken of ze te aanvaarden.".

De centrale gedachte hierbij is steeds geweest dat beïnvloeding van het voorschrijfgedrag moet worden vermeden. Dit is perfect aanvaardbaar en correct: de diagnostische en therapeutische vrijheid die wij voorstaan, is slechts verdedigbaar wanneer wij artsen autonoom, objectief en kritisch voorschrijven.

Wanneer de Overheid vandaag in zijn overlegtekst over een vernieuwd geneesmiddelenbeleid voorziet dat, als via Farmanet wordt gemeten dat artsen voorschrijven zoals de minister het graag heeft, hij een "bonus rationeel voorschrijven" zal krijgen (terwijl voor artsen die sterk afwijken een daling van de huidige toelagen- m.a.w. het accrediteringssupplement- wordt overwogen) dan zondigt zij tegen de geest van deze Wet.

De Belgische rechtbanken passen het artikel 10 van deze wet zeer strikt toe. In zijn uitvoerige analyse onder de titel "De cadeaucultuur in de medische sector: there is no such thing as a free lunch?" (Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1998-1999, 12-22) bekritiseert Prof. Thierry VANSWEEVELT dit absoluut verbod, dat hij wereldvreemd noemt.

Hij pleit ervoor dat een vergoeding zou veroorloofd zijn wanneer er een legitieme prestatie tegenover staat, zoals in het geval van een arts die, in samenwerking met een farmaceutische firma, een klinische studie opzet, waarvoor hij tijd, werkkracht en eventueel personeel en infrastructuur inzet. Een absoluut verbod tot vergoeding is volgens VANSWEEVELT strijdig met de bedoeling van de wetgever, kan de vooruitgang van de geneeskunde belemmeren en kan de bijscholing van de artsen vertragen.

Ik onderschrijf ook zijn visie dat praktijken waarbij een arts premies of voordelen ontvangt wanneer hij bepaalde geneesmiddelen voorschrijft, of om hem aan te sporen bepaalde geneesmiddelen voor te schrijven, ongeoorloofd zouden zijn. Dat is wat zeer veralgemenend, anoniem, en zonder bewijsvoering werd beschreven in de zonet vernoemde artikels in "De Morgen" en "Profiel". (cfr. 2 en 3).

In het eerste geval is de tegenprestatie niet legitiem en bovendien deontologisch onaanvaardbaar. Artsen moeten adequaat voorschrijven, d.w.z. alleen indien nodig, en het best aangewezen product, waarbij moet rekening worden gehouden met artikel 36 van de Code van de medische plichtenleer.

Artikel 36: "De geneesheer beschikt over de diagnostische en therapeutische vrijheid. Hij zal vermijden onnodige dure onderzoekingen en behandelingen voor te schrijven of overbodige verstrekkingen te verrichten.

In het tweede geval -premies of voordelen aanbieden om de arts aan te sporen bepaalde geneesmiddelen voor te schrijven- is er zelfs geen tegenprestatie. In dergelijke eventuele situatie zou de medische informateur , tegen de AVGI-deontologische code in, het "do ut des"-principe trachten toe te passen: "Ik geef opdat U me iets zou teruggeven.".

2.2.2. Het K.B. van 7 april 1995 (B.S. 12 mei 1995) betreffende de voorlichting en reclame inzake geneesmiddelen

Via dit K.B. betreffende de voorlichting en de reclame inzake geneesmiddelen voor menselijk gebruik, heeft de wetgever de Europese richtlijn nr 92/28/EEG van 31 maart 1992 ingevoerd.

Artikel 9 van de EEG-richtlijn verbiedt ook premies of voordelen in geld of in natura "tenzij deze een geringe waarde hebben en relevant zijn voor de uitoefening van de geneeskunde of de farmacie".

Het artikel 12 van het K.B. van 7 april 1995 kan van toepassing zijn op binnen- en buitenlandse congressen of symposia, op de organisatie van de continue medische navorming, al dan niet in de context van de LOK's e.d.m..
De tekst luidt als volgt:

"§1 De gastvrijheid die in het kader van de verkoopsbevordering wordt geboden, moet steeds binnen redelijke perken blijven en ondergeschikt zijn aan het hoofddoel van de bijeenkomst; zij mag zich niet uitstrekken tot anderen dan de beroepsbeoefenaren in de gezondheidssector.
De beroepsbeoefenaren in de gezondheidssector mogen geen zaken aannemen of vragen die verboden zijn door het vorige lid.

§2 De gastvrijheid die direct of indirect wordt geboden tijdens manifestaties met een uitsluitend beroepsmatig en wetenschappelijk karakter dient steeds binnen redelijke perken te blijven en secundair te zijn t.o.v. het wetenschappelijke hoofddoel van de bijeenkomst; zij mag zich niet uitstrekken tot anderen dan de beroepsbeoefenaars in de gezondheidssector." 

In casu viseert deze wetsbepaling het uitnodigen van de arts met zijn/haar partner wat door de wetgever als ongeoorloofde beïnvloeding wordt beschouwd, die niets met het wetenschappelijk karakter van de bijeenkomst heeft te maken.

In België wordt de vergoeding voor congres-, reis- en verblijfkosten niet als rechtstreeks of zijdelings voordeel in de zin van art. 10 van de Geneesmiddelenwet, in de mate dat het om een wetenschappelijk congres gaat.

Ter vergelijking is de American Medical Association veel strikter. In "Gifts for physicians from industry" J.A.M.A. 11, 1991, vol 265, pag 501, schrijft de AMA het volgende voor:
"Subsidies from industry should not be accepted directly or indirectly to pay for the costs of travel, lodging, or other personal expenses of the physicians who are attending the conferences or meetings, nor should subsidies be accepted to compensate for the physicians time. Subsidies for hospitality should not be accepted outside of modest meals or social events that are held as part of a conference or meeting." 

2.2.3. De Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (G.V.U.-wet) gecoördineerd op 14 juli 1994 (B.S. 27.08.1994)

Volledigheidshalve citeren wij ook twee elementen uit de gecoördineerde Wet van 14 juli 1994, met name het artikel 30 betreffende de Profielencommissies, die ressorteren onder de Dienst voor geneeskundige verzorging van het RIZIV, en het artikel 73 betreffende de plichten van de zorgverleners. De opvolging van artikel 73 valt rechtstreeks onder de bevoegdheid van de Dienst voor geneeskundige controle en situeert zich dus in de sanctionele sfeer.

Art. 30:"Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging worden, voor de voor de Koning aan te wijzen disciplines, profielencommissies ingesteld die tot taak hebben een avaluatie van de profielen, per zorgverlener, per voorschrijver van verzorging, per plaats waar de verstrekkingen worden verricht, per verplegingsinstelling en per anoniem ziekenhuisverblijf te maken die zijn opgemaakt op grond van de in artikel 206, tweede lid, opgelegde statistische tabellen.

De samenstelling en de werkingsregelen van die commissies worden door de Koning bepaald. De Koning benoemt de Voorzitter en de leden van die profielencommissies.

Het instituut is ertoe gemachtigd de voormelde profielen te analyseren met hetoog op een avaluatie ervan enerzijds, en met het oog op de uitwerking van nieuwe vergoedingswijzen voor de verleenden verzorging en de afgeleverde producten, andrezijds. De resultaten van deze analyses worden meegedeeld aan de betrokken Profielencommissies, en onder de door de Koning te bepalen modaliteiten en voorwarden, aan andere organen, Commissies en prsonen. "


Art. 73: "De geneesheer en de tandheelkundige oordelen in geweten en in volle vrijheid over de aan de patiënten te verlenen verzorging. Zij zullen erover waken toegewijde en bekwame geneeskundige verzorging te verstrekken in het belang van de patiënt en rekening houdend met de door de gemeenschap ter beschikking gestelde globale middelen.
Zij zullen zich onthouden van het voorschrijven van onnodig dure onderzoeken en behandelingen, alsook van het verrichten of laten verrichten van overbodige verstrekkingen ten laste van de regeling voor verplichte verzorging en uitkeringen".
….
"Het onnodig dure karakter van onderzoeken en behandelingen en het overbodig karakter van verstrekkingen dienen geëvalueerd te worden in vergelijking met de onderzoeken, behandelingen en verstrekkingen die een zorgverlener voorschrijft, verricht of laat verrichten in gelijkaardige omstandigheden.".

2.2.4. K.B. nr 143 van 30 december 1982 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de laboratoria moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de ziekteverzekering voor verstrekkingen van klinische biologie (B.S. 12.01.1983)

Zoals reeds vermeld zijn er enkele gelijkenissen tussen de klinische biologie en de verhoudingen van artsen t.o.v. geneesmiddelenindustrie. Artikel 5 van het K.B. 143 van 30 december 1982 over de laboratoria voor klinische biologie ligt in dezelfde lijn als het artikel 10 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen.

Art. 5. "Aan de geneesheren die verstrekkingen van klinische biologie voorschrijven mag noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks enig voordeel worden toegekend, noch enige vergoeding voor een activiteit vermeld in artikel 6."

Het artikel 3 " §3, 2°, sluit bovendien uit dat geneesheren-connexisten (§1, 1°) en klinisch biologen (§1, 3°) geen vennoot mogen zijn of aandelen bezitten in een vennootschap waarvan het maatschappelijk doel in verband staat met de geneeskunst.

" §3. De uitbaters van een laboratorium bedoeld in §1, 1° of 3° van dit artikel moeten aan volgende voorwaarden voldoen:
1° zij mogen slechts één laboratorium uitbaten;
2° zij mogen noch lid noch vennoot zijn van een andere rechtspersoon, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks titels, die al dan niet kapitaal vertegenwoordigen, bezitten in een vennootschap, waarvan het maatschappelijk doel in verband staat met de geneeskunst - onder meer de uitbating van een laboratorium van klinische biologie, het vervaardigen van farmaceutische producten, de productie of de levering van geneeskundige apparatuur of prothesen, de productie of de uitbating van informatica-apparatuur die in verband staat met de geneeskunst - of de levering van goederen of diensten aan de beoefenaars van de geneeskunst. Zij mogen noch de hoedanigheid hebben van orgaan, noch lid zijn van een orgaan, noch de vennoten, organen of leden van organen van deze vennootschappen vertegenwoordigen. Deze bepalingen mogen door de Koning worden uitgebreid tot andere rechtspersonen of vennootschappen;
3° ….
4° …". 


In de praktijk is de toepassing van dit KB grotendeels dode letter gebleken wegens "te moeilijk". 
Analoge bedingen vinden we ook in buitenlandse teksten wat betreft de verhouding tussen artsen die deelnemen aan een proef en de firma's voor wie ze bepaalde geneesmiddelen uittesten.
Zo eist de Food and Drug Administration (USA) sinds februari 1999 dat de farmaceutische firma's die een aanvraagdossier indienen om een product op de markt te mogen brengen, preciseren of de onderzoekers die betrokken waren bij de klinische testen, financiële belangen hebben bij deze firma. Hieronder verstaat de F.D.A. allerlei vormen van beursacties, intellectuele eigendomsrechten (octrooi) en betalingen groter dan 25.000 US Dollar, onder vorm van een onderzoekskrediet, geschenken, uitrusting of honoraria. De bekendmaking hiervan betreft ook de partner en de kinderen van de onderzoeker. ("FDA rules that researchers will have to disclose financial interest." Josefson D., BMJ 1998; 316:493).
Deze uitbreiding naar verwanten vinden we trouwens ook terug op het aanvraagformulier tot erkenning van de Belgische laboratoria voor klinische biologie.

2.3. Verhouding met de farmaceutische industrie in het kader van de accreditering

De accrediteringsstuurgroep heeft op 27 juli 1994 criteria vastgesteld voor de erkenning van navormingsactiviteiten met sponsoring door de farmaceutische industrie in het kader van de accrediteringsprocedure. Om in aanmerking te komen dienen zowel inhoudelijke als omkaderingsmodaliteiten te worden gerespecteerd.

Inhoudelijke verantwoordelijkheid

1. Een farmaceutisch bedrijf kan niet optreden als verantwoordelijke organisator, doch wel als sponsor.

2. De inhoudelijke verantwoordelijkheid en leiding moet in handen zijn van een erkende artsenorganisatie van de beoogde beroepsgroep waarvan het programma door het Paritaire comité werd erkend.

3. De inhoudelijke voorbereiding, het opstellen van leerdoelstellingen, het voorstellen van sprekers en/of gespreksmoderatoren, de keuze van de didactische technieken enz. … gebeuren door de navormingsverantwoordelijken aangesteld door de organiserende artsenorganisatie.

4. Het programma wordt vooraf aan het Paritaire comité voorgelegd voor advies.

5. Het onderwerp van een voordracht kan nooit beperkt zijn tot één farmaceutisch product.

Omkaderingsmodaliteiten

6. Aankondigingsdrukwerk, uitnodigingsbrieven, cursusmateriaal e.d. gebeuren met de briefhoofding van de verantwoordelijke organiserende artsenorganisatie. De sponsoring kan hierbij wel discreet vermeld worden.

7. Zowel tijdens de navormingsactiviteiten alsook binnen in de gebruikte leslokalen zijn geen reclamestanden van de sponsor toegelaten. Deze kunnen wel toegelaten worden in een afzonderlijke ruimte (receptieruimte, hall, enz. …).

8. De sponsoring kan alle modaliteiten van de organisatie betreffen met uitzondering van de honoraria van de sprekers en de moderatoren. Teneinde de onafhankelijkheid te waarborgen dienen deze honoraria worden betaald door de organiserende artsenorganisaties.

9. De sponsor wordt altijd goed geïdentificeerd. De publicitaire boodschap wordt altijd goed geïdentificeerd en in tijd en ruimte beperkt.

2.4. Internationale overeenkomsten

2.4.1. De Verklaring van Helsinki (juni 1964) van de World Medical Association

De World Medical Association, waarin Dr. André WYNEN, stichter van de BVAS, een zeer belangrijke rol heeft gespeeld, heeft in juni 1964 de basis gelegd van de ethische principes die de artsen en andere participanten moeten begeleiden bij de medische research verricht bij mensen.

Enkele sleutelbegrippen uit deze basistekst zijn dat:

¨ de gezondheid van de patiënt van primordiaal belang is.
¨ het welzijn van de patiënt primeert boven de belangen van de wetenschap en de maatschappij
¨ het eerste doel het verbeteren is van de diagnostische, therapeutische en profylactische procedures alsmede het begrijpen van de etiologie en de pathogenese van de ziekten.
¨ alle medisch onderzoek ondergeschikt is aan ethische standaarden die het respect voor de mens promoten en die hun gezondheid en rechten als individu beschermen.

Bij de eerstvolgende algemene vergadering van de WMA in oktober 2000 zal de tekst, net zoals in 1975, 1983, 1989 en 1996, opnieuw geactualiseerd worden.

De "Declaration of Helsinki" wordt algemeen aanvaard als de globale hoeksteen voor ethische research, en werd ingebouwd in talrijke nationale en internationale guide-lines, regel- en wetgevingen.

2.4.2. The Council for International Organizations of Medical Sciences (CIOMS)

Naast de World Medical Association bestaat ook de Raad voor internationale organisatie van medische wetenschappen (CIOMPS). Deze werkt samen met de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO).
Deze Raad heeft de "International Ethical Guidelines for Biomedical Research involving Human Subjects" ontwikkeld. Deze richtlijnen fungeren als een praktische toelichting hoe de Verklaring van Helsinki moet geïnterpreteerd en toegepast worden in allerlei research opstellingen. De Verklaring van Helsinki en de CIOMS guidelines kunnen als complementair aan elkaar worden beschouwd.

2.4.3. Europese regelgeving 

Op 29 april 1995 werd een gemeenschappelijke verklaring afgelegd door het Permanent Comité van Europese Artsen (het C.P.), waar de BVAS al decennialang actief deel van uitmaakt, en de Europese federatie van farmaceutische verenigingen (EFPIA, European Federation of Pharmaceutical Industries).

Wat betreft de klinische studies en het farmaco-epidemiologisch onderzoek, menen deze Europese instellingen dat samenwerking tussen het artsenberoep en de farmaceutische industrie essentieel is voor de oppuntstelling en de kennis van geneesmiddelen, alsook voor het optimaal gebruik ervan.

Elk onderzoek moet een doelstelling hebben die wetenschappelijk onderbouwd en therapeutisch functioneel is. Het mag niet opgezet zijn met promotie als eerste doelstelling. Het wetenschappelijk objectief moet vooraf klaar en duidelijk worden omschreven.

Ook betreffende de medische informatie en de continue medische navorming, werden er op Europees niveau duidelijke en deontologisch klare afspraken gemaakt.

2.5. RICHTLIJNEN BIJ INTERNATIONALE PUBLICATIES 

De Zwitserse "La Revue Prescrire, mars 2000, tome 20 n° 204, p. 229", bespreekt het internationaal debat i.v.m. belangenconflicten die rijzen bij publicaties van wetenschappelijke studies.

Internationale medische tijdschriften stellen terecht meer en meer eisen wat betreft de onafhankelijkheid van de publicaties. Zowel de auteurs, de editors, als de reviewers zouden volgens sommigen bij publicatie hun financiële ondersteuning moeten bekendmaken, en hun eventuele belangenvermenging of belangenconflicten.

De realisatie hiervan staat volop ter discussie. Bovendien kunnen ook andere mogelijke belangen of banden meespelen zoals academisch prestige en politieke of vriendschappelijke banden, die veel moeilijker in het licht te stellen zijn dan financiële belangen.

Derhalve oordeelt " The Lancet" vb. dat belangenconflicten niet systematisch moeten ter kennis worden gebracht van zijn lezers. De "British Medical Journal" spreekt van "competing intrest" (tegenstrijdig belang). Als geen belangenconflict of tegenstrijdig belang werd vermeld suggereert de BMJ te vermelden dat er "geen werd medegedeeld" i.p.v. "geen".

Tenslotte is het ook bekend dat, zelfs in gereputeerde internationale biomedische tijdschriften, soms artikels worden gepubliceerd, zonder dat alle auteurs worden vermeld. Dergelijke "spookauteurs" staan wel eens op de pay-rol van een farmaceutisch bedrijf. In dergelijke situaties wordt de belangenvermenging onnaspeurbaar.

3. NABESCHOUWING 

Er bestaat zeer grote druk vanwege de Overheid om de uitgaven van geneesmiddelen onder controle te krijgen.
Een aantal voorstellen die vandaag circuleren zijn medisch en deontologisch onaanvaardbaar:
¨ het budgetteren per therapeutische klasse.
¨ het zich baseren op de laagste referentieprijzen in ziekenhuismilieu, wat zal leiden tot onderbehandeling of niet-behandeling gezien bij keuze van een duurder geneesmiddel of een hoge dosis, het ziekenhuis de meerkost zelf zal moeten betalen.
¨ het doen terugbetalen van geneesmiddelen indien de voorschrijver een bepaald budget overschrijdt dat via Farmanet een controle van het Globaal Medisch Dossier door de minister individueel zal kunnen worden vastgelegd.
¨ het individueel belonen van artsen die minder voorschrijven dan dit bedrag.
¨ het opdringen van generieken, zonder dat sluitende kwaliteitsgaranties worden afgeleverd en de bio-equivalentie is verzekerd.

Wij zijn overtuigd dat artsen autonoom, adequaat en soepel hun voorschrijfgedrag afstemmen op de medico-sociale behoeften van hun patiënten. Dit is niet hetzelfde als systematisch een geneesmiddelenvoorschrift overhandigen.
Die autonomie moeten wij artsen ook bewaren tegenover de farmaceutische industrie, en trouwens ook tegenover de apothekers. Beïnvloeding moet onderscheiden worden van informatie. De informatie van farmaceutische industrie naar arts en omgekeerd van arts naar industrie blijft uitermate belangrijk. Samenwerking is essentieel om tot innoverende geneesmiddelen te komen of tot nieuwe toepassingen van bestaande medicatie, net zoals de melding van nevenwerkingen door practici aan de industrie.
Objectieve en onafhankelijke, door het beroep zelf georganiseerde, continue medische navorming en peer review vormen hierbij de hoeksteen.

De publicitaire campagnes door de farma-industrie moeten bescheiden blijven. Amerikaanse toestanden waar via het grote publiek en in samenwerking met artsen bepaalde onterechte medicatie op grote schaal wordt gepromoot, blijft in België gelukkig achterwege. Zo klaagt vb. de New York Times van 27 augustus aan dat de firma Pfizer Zithromax, een tweedelijns antibioticum van de groep der macroliden, via een zebra-mascotte-actie, op stethoscopen van de pediaters en een aflevering van Sesam-straat naar voren schuift voor middenoorontsteking.

Tot op heden houdt het gezond verstand van onze artsen, hun kritische analyse van informatie vanwege artsenbezoekers en van literatuur en hun deontologie, vervat in de algemene plichten omschreven in de deontologische code van de Orde der geneesheren, samen met de Code voor de deontologie van de A.V.G.I., de publiciteit van geneesmiddelen binnen de aanvaardbare en verantwoorde context van de continue medische navorming. Het is onze gezamenlijke verantwoordelijkheid er voor te zorgen dat we af raken van het onterechte begrip "medische cadeaucultuur".
Tenslotte is er voor de artsen de steeds mondiger wordende patiënt, die vragen stelt over het waarom en de kostprijs van zijn medicatie, terwijl voor de geneesmiddelenindustrie bovendien ook de onderlinge concurrentie meespeelt bij het doen respecteren van hun eigen deontologische regels.

Dagelijks leggen artsen verantwoording af, niet aan ministers en hun kabinetstechnici, evenmin aan big brother Farmanet of aan de verzekeringsinstellingen maar wel aan hun patiënten en aan de collegae en andere zorgverstrekkers waarmee ze samenwerken.

Met dank voor uw aandacht


Vorige nummer VorigeArchieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp