|
Nr 7 - September 2000
Vorige Inhoud  Volgende
EEN NIEUW B6 BESLUIT IN DE MAAK
De Ministers AELVOET en VANDENBROUCKE hebben aan de Nationale Raad voor
Ziekenhuisvoorzieningen een nieuw ontwerp K.B. voorgelegd tot uitvoering van art 94, derde
lid van de ziekenhuiswet, met het oog op de vergoeding via de verpleegdagprijs van hetzij
een deel, hetzij het geheel van de kosten van de recente sectoriële akkoorden voor het
personeel dat niet verpleegdag-gebonden is. M.a.w. het personeel dat lastens de medische
honoraria wordt vergoed.
Het systeem dat in het ontwerp voorzien wordt is erg similair met datgene dat destijds
(29.09.1992) door de toenmalige minister van Sociale Zaken, Philippe MOUREAUX, werd
voorzien, nl. een graduele toekenning van additionele gedeeltelijke vergoedingen
naargelang aan een aantal voorwaarden qua centrale inning van honoraria, mededeling van
financiële gegevens en zgn. integratie van de medische activiteit, wordt voldaan. De Raad
van State heeft dit K.B. destijds nietigverklaard, wat tot gevolg had dat dan maar het
beruchte art 139bis in de ziekenhuiswet werd opgenomen, eerst bij volmachtsbesluit van
16.04.97 en vervolgens bekrachtigd bij de wet van 12.12.97. Het B6-besluit bleef dode
letter, maar de B6 vergoedingen bleven desalniettemin onverstoord verder uitgekeerd
worden. Acht jaar lang dus. De Ministers hebben dan ook vandaag alle redenen om een nieuw
besluit te maken, al was het maar om weer vroom grondwettelijk te doen. Maar...
Bij het afsluiten van de zeer belangrijke sectoriële akkoorden voor het
ziekenhuispersoneel, was de afspraak vanwege de regering zéér duidelijk dat de weerslag
ervan voor het personeel lastens de medische activiteiten integraal zou vergoed worden
door de verpleegdagprijs. Er is daarbij op geen enkel ogenblik sprake geweest van interne
voorwaarden, noch van eventueel slechts gedeeltelijke vergoeding. Dit is dus een formele
woordbreuk vanwege de regering!
Volgens het ontwerp zou de toekenning van het onderdeel B6 van het ziekenhuisbudget,
grosso modo als volgt worden bepaald:
1.Het betreft de " kosten die het gevolg zijn van de bijkomende voordelen voorzien in
de sectoriële akkoorden, die toegekend worden aan het personeel dat geheel of
gedeeltelijk rechtstreeks ten laste van de honoraria wordt gefinancierd...
".
Voor deze omschrijving was het beruchte art. 139bis niet ééns nodig, want de bedoeling
daarvan was precies ook de onrechtstreeks toerekening mogelijk te maken. Het ganse
effect van de onrechtstreekse verrekening van de sectoriële akkoorden zou dus wel door de
artsen moeten betaald worden. Dus alleen al op dit principieel vlak plegen de ministers
woordbreuk. Belangrijke opmerking: het KB van 29.09.92 van Minister MOUREAUX voorzag
geenszins deze beperking. Dit is dus een weldoordachte woordkeuze van de huidige regering.
2. De helft van voormelde (directe) kosten, m.b.t. de activiteiten inzake
gehospitaliseerde patiënten, wordt via het budget van financiële middelen van de
ziekenhuizen vergoed, mits een aantal voorwaarden, waaronder:
-centrale inning door het ziekenhuis of door de medische raad, van alle honoraria m.b.t.
de medisch-technische diensten en nog nader te bepalen zorgprogramma's,
-mededeling aan het Ministerie van de omvang van de centraal geïnde honoraria van deze
activiteiten, met uitsplitsing van het respectievelijk aandeel voor opgenomen en ambulante
patiënten,
-een anoniem overzicht van de rechtsverhoudingen (uitvoering Hoofdstuk II van Titel IV van
de ziekenhuiswet,
-een beschrijvende nota over de aanwending van de honoraria van het geheel van de
medisch-technische diensten en de nader te bepalen zorgprogramma's.
3. Het geheel van de kosten bedoeld sub 2.(nog steeds alleen m.b.t. opgenomen
patiënten) wordt via het ziekenhuisbudget gedekt, mits bovendien:
-minstens 70% van de artsen van de diensten heelkunde, inwendige geneeskunde, biologie,
radiologie, anesthesiologie, werken gedurende minstens 8 halve dagen/week uitsluitend in
het ziekenhuis op uiterlijk 1.1.2001.
-een schriftelijk akkoord, uiterlijk op 1.1.2001 tussen beheerder en Medische raad,
omtrent de centrale inning van alle honoraria door het ziekenhuis.
4. De kosten van de sectoriële akkoorden worden eveneens voor de helft m.b.t. ambulante
activiteiten vergoed via het ziekenhuisbudget, mits bovendien:
-70% van de artsen in het geheel van de consultatiediensten, medisch-technische diensten
of de zorgprogramma's minstens 8 halve dagen/week in het ziekenhuis werkzaam zijn,
-de aanwending van de honoraria voor het geheel van de consultatiediensten wordt
medegedeeld,
-alle honoraria van de consultatiediensten, wiens personeel door het ziekenhuis wordt
betaald, centraal geïnd worden door het ziekenhuis of de medische raad.
5. De volledige kosten van de sectoriële akkoorden worden vergoed via het
ziekenhuisbudget, mits bovendien, uiterlijk op 1.01.2001:
-alle honoraria centraal geïnd worden door het ziekenhuis,
-minstens 70% van de ziekenhuisartsen uitsluitend en voltijds in het betrokken ziekenhuis
werkzaam zijn.
* * *
Het advies van de N.R.Z.V. wordt verwacht tegen einde september. Wat er nadien kan
gebeuren kunnen wij op dit ogenblik niet voorspellen. Met dit ontwerp pleegt de regering
woordbreuk. De manier waarop ze dat doet, maakt art 139bis juridisch totaal overbodig. Men
kan het dan maar meteen afschaffen zoals de vorige regering formeel had beloofd.
Tenslotte nog deze bedenking: als men weet dat gedurende acht jaar de overheid onwettige
voorwaarden heeft opgelegd aan de ziekenhuisartsen om op even onwettige wijze financiële
vergoedingen uit te keren aan de ziekenhuizen, dan zullen nieuwe akkoorden tussen medische
raden en ziekenhuisbeheerders, voor elk redelijk mens wel even nutteloos blijken als de
wetten die er niet waren.
Vorige Inhoud  Volgende
|