|
Nr 6 - Juni 2000
Vorige  Inhoud  Volgende
GEEN EUTHANATISCHE HARDNEKKIGHEID A.U.B.
Het is nuttig te herhalen dat tot op heden nergens ter wereld het opzettelijk
levensbeëindigend handelen door een andere dan de betrokkene, op diens verzoek, of
euthanasie, uit de strafwet werd gehaald. Ook niet in Nederland waar het wordt gedoogd en
de arts niet wordt vervolgd als hij het zorgvuldig en volgens het boekje doet.
Het Frans Ethisch Comité besliste op 27 januari 2000 dat euthanasie in het strafrecht
moet blijven. De Franse ethici weigeren een recht te creëren op een levensbeëindigende
tussenkomst door een derde. Ze aanvaarden in uitzonderlijke noodsituaties euthanasie als
een daad van solidair medeleven.
Het verzet van velen, ook van het VBS en de BVAS, in de media tegen het wetsvoorstel
betreffende de euthanasie van 20 december 1999, ingediend door de politieke meerderheid,
met verbaasde internationale reacties omdat de beroepsbeoefenaars niet vooraf werden
gehoord, heeft mede aanleiding gegeven tot een reeks debatten in de Senaat. Het siert onze
democratie dat ze publiek waren, op enkele getuigenissen na, omwille van de privacy.
Opmerkelijk was dat RTBF-televisie wel, doch de Vlaamse televisie niet, deze fundamentele
debatten uitzond.
Vier maanden discussie en overleg, met verslaggeving in de media hebben sporen nagelaten.
Niet het hekelen van de vertegenwoordigers van de Orde in de Senaat, niet het schimpen van
sommige journalisten (vb. "Is de BVAS niet tegen euthanasie omdat artsen geen
facturen meer kunnen maken voor overledenen?" TV1-journaal 24.12.1999) hebben het
denken van artsen over een aantal thema's gekatalyseerd. Wel de ervaringsgetuigenissen van
patiënten en collega's, van verpleegkundigen, ethici en juristen.
De aandacht is verscherpt omtrent het vermijden van therapeutische hardnekkigheid zonder
evenwel de patiënt kansen op een correcte diagnose en behandeling te ontnemen.
Pijnbestrijding en palliatieve zorg moeten verder worden uitgebouwd zowel in de opleiding,
wat misvattingen over morfinegebruik moet uitbannen, als in de dagelijkse praktijk. Dit
vergt financiële ondersteuning. Bij de vaststelling van de prioritaire behoeften in de
gezondheidssector voor de periode 2001-2003 hebben de artsen in de Nationale Commissie
Artsen-Ziekenfondsen hiervoor een budget gevraagd.
De Orde der Geneesheren heeft misschien iets sneller dan gepland zijn deontologische regel
over het tijdig meedelen van "slecht nieuws" aan de patiënt aangepast aan de
nieuwe tijdsgeest. De patiënt heeft recht op zijn diagnose en de consequenties ervan op
zijn levensverwachting, maar met het behoud van het recht op niet weten. Het is de arts
die inschat wanneer die boodschap wordt overgebracht.
De juristen klonken niet uni sono, maar waren zeer kritisch. Eminente vrijzinnigen stelden
dat er niet wetgevend moet worden opgetreden. Christelijk geïnspireerden wensten wel
regelgeving, maar nooit de depenalisering. De indieners van het wetsvoorstel verwachtten
applaus maar kregen een koude douche van de juristen. Het gevaar van euthanasie om
economische redenen werd door meerderen geuit. Intensieve zorgen specialisten spraken van
"verdelende rechtvaardigheid" wanneer ze, door beddentekort, een beslissing tot
beëindiging van therapie, met het overlijden als gevolg, moeten bespoedigen.
Patiëntenvertegenwoordigers, geriaters, verpleegkundigen, verwoordden hun ongerustheid
over de zorg over de zwakkeren, ouderen, gehandicapten. Het opheffen van het verbod om
mensen te mogen doden, houdt immers in dat sommige mensenlevens minder waard zijn dan
andere. De wetenschap dat 10 procent van de zieke patiënten 75 procent van de uitgaven
veroorzaken, dat overal de druk op het gezondheidsbudget onhoudbaar is, dat een aantal
Westerse landen sommige vitale zorgen koudweg weigeren voor terugbetaling op te nemen,
heeft enkele indieners van het voorstel terecht aan het twijfelen gebracht.
Artsen willen het naderend levenseinde niet in de schemerzone afhandelen. Zij willen zich
niet onttrekken aan de maatschappelijke toetsing, noch aan het eventuele oordeel van een
rechtbank.
Met velen vragen wij de politici: bezondig U niet aan politieke euthanatische
hardnekkigheid.
Jules MESSING, professor strafrecht aan de ULB, in de Senaat parafraserend, stellen wij
dat de euthanasiewet niet toepasbaar is en dus overbodig. De hyperindividuele situatie van
een beslissing door een individu omringd door verzorgenden en naasten, is niet te vatten
in een wet. Bovendien is euthanasie depenaliseren letterlijk wereldschokkend.
Dr. M. MOENS
Secretaris-Generaal
10.6.2000
Vorige  Inhoud  Volgende
|