Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

Nr 4 - Mei 2000

Vorige nummer VorigeArchieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende

DE VISIE OMTRENT GEZONDHEID-, GEZONDHEIDSZORG-, EN GEZONDHEIDSZORGVERZEKERINGSBELEID

n.a.v. het rapport 'Gezondheidszorg in België, uitdagingen en opportuniteiten' 
(vervolg)

3.3 "Human resources" in de gezondheidszorg

Een gezondheidszorgsysteem kent niet alleen vele professionelen, maar bovendien groeien hun respectievelijke aantallen niet evenwichtig in relatie tot de gepercipieerde noden. Zo is er een duidelijke consensus dat het aantal artsen te 'hoog' ligt, terwijl het aantal verpleegkundigen als eerder 'laag' wordt ingeschat. De wetgever heeft ons een aantal instrumenten gegeven om deze aantallen op te volgen, evoluties in te schatten en daar waar nodig te beperken / te stimuleren. De problematiek voor de verschillende deelsectoren is evenwel beduidend verschillend.

3.3.1 De verpleegkundigen

Hier heeft men eerder te maken met een niet ingevulde behoefte. Een aantal factoren hebben bijgedragen tot een eerder negatief imago van deze professionaliteit. De attractiviteit (d.i. niet alleen de financiële) van dit beroep opkrikken is een moeilijke maar noodzakelijke klus, vooral in het perspectief van de zich aandienende drievoudige vergrijzing. In dit kader werd reeds een voorstel uitgewerkt omtrent de toekomstige opleiding van verpleegkundigen, waarbij de twee opleidingen behouden blijven en voorzien wordt in de noodzakelijke bruggen om te komen tot gegradueerde verpleegkundige. Dit voorstel wordt verder uitgewerkt en besproken met de gemeenschappen en zal op korte termijn gefinaliseerd worden.

Wat het sociaal statuut betreft wordt werk gemaakt om qua verloning te komen tot een billijke meerjarenplan regeling, worden faciliteiten gecreëerd omtrent continue vorming en worden concrete maatregelen voorgesteld om de relatief 'vlakke loopbaan' van deze beroepsgroep te diversifiëren. De harmonisering van de barema's, de baremaherziening, de problematiek van de nepstatuten, de arbeidsduurvermindering en eindeloopbaanproblematiek en de permanente vorming zijn de elementen die opgenomen werden in de voorstellen voor een meerjarenplan voor de gezondheidszorg.

Ook de steeds toenemende werkdruk dient te worden beheerst. Dit is waarschijnlijk onmogelijk via normering alleen. Het uitwerken van een meer performant registratiesysteem (ter verfijning van de mvg) kan hiertoe een oplossing zijn. Algemeen kan men tevens stellen dat een herverdeling van taken tussen de beroepsgroepen (vooral artsen - verpleegkundigen - verzorgenden) bespreekbaar gemaakt moeten worden.

Ook naar de instroom en de uitstroom toe werden maatregelen uitgewerkt. Zo wordt voorzien in een budget om 600 personen gratis de opleiding tot verpleegkundige te laten volgen. Dit, samen met de nodige informatie- en sensibiliseringscampagnes moet de instroom verhogen. Begeleiding van intreders en herintreders en specifieke maatregelen om de aantrekkelijkheid van het beroep te verhogen (m.b.t. arbeidsorganisatie, uurroosters, taakomschrijving, wachtdiensten ...) werden tevens opgenomen in het meerjarenplan. Om de gekende uitstroom aan relatief jonge leeftijd te verminderen werden twee mogelijkheden uitgedacht, te weten een bepaald werkvolume binnen een langere tijdsspanne uitvoeren ofwel een hogere verloning om een bepaald werkvolume uit te voeren.

3.3.2 De artsen

In afwachting van de verwachte effecten van een betere structurering en stroomlijning van de gezondheidszorg, wordt 'het overtal' aan artsen beperkt via een strikte planning van de 'instroom'. Tot op heden werden vrij realistische projecties en behoefteschattingen gemaakt omtrent de inzetbaarheid van artsen naar de toekomst, rekening houdend met een aantal belangrijke factoren: geslacht, leeftijdsdistributie, vergelijking met omringende landen, praktijktijdsbesteding, vervrouwelijking etc. De rol van de planningscommissie medisch aanbod is hierin cruciaal.

De complementaire financieringsmodellen moeten bovendien bijdragen om de labiele financiële situatie van afgestudeerden securiserend te temperen en aldus leiden tot een aftopping van het aantal prestaties.

3.3.3 De kinesisten

Hoewel ook via de planningscommissie het aantal drastisch werd beperkt, werden naar analogie met de artsen, nog geen concrete maatregelen genomen om de opleidingsinstroom te verminderen. Verder overleg met de gemeenschappen zal dan ook gevoerd worden.

3.3.4 Erkenning "nieuwe beroepen" : "nieuwe benaderingen"?

In de loop der jaren hebben zich een aantal verschuivingen voorgedaan bij de 'paramedische beroepen'. Het is zo dat onder meer door de ontwikkeling van nieuwe methodes en technologie deelaspecten van 'klassieke beroepen' (tandartsen, oftalmologen, neus- keel- en oorartsen, psychiaters) zich progressief hebben verzelfstandigd. Denken we maar aan de zogenaamde optometristen, tandprothesisten, audiometristen en psychotherapeuten. Klassiek wordt in ons huidig overlegbestel - adviesraden samengesteld uit de gevestigde 'moederberoepen' - veelal negatief geadviseerd tegen deze verzelfstandiging. Vandaar dat dossier per dossier, zal worden onderzocht in welke mate de erkenning van mogelijk nieuwe beroepen geen voordeel kan bijbrengen voor de patiënt, waarbij vlotte toegang, prijs/kwaliteit verhouding, gegarandeerde opleiding etc. de doorslaggevende beslissingscriteria zullen uitmaken.

De zogenaamde 'alternatieve geneeswijzen' moeten hun plaats krijgen in de brede waaier van zorgvoorzieningen. De eerste gesprekken met alle betrokkenen werden hiertoe opgestart en ik hoop binnenkort een concreet voorstel te kunnen formuleren dat zal voorgelegd worden aan alle belanghebbenden.

3.4 Doelmatigheid en kwaliteit

In de gezondheidszorg dient het niet alleen te gaan over het "correct behandelen van de ziekte" maar veeleer om het "resultaat van de gezondheidszorginterventie" op de levenskwaliteit. Hier komen de patiënt en zijn levenskeuzen opnieuw in het centrum. Om dit doel te bereiken moeten de patiënt en zijn omgeving, de arts en de diverse andere gezondheidsactoren hun taak en hun verantwoordelijkheid opnemen. Ten aanzien van de diverse zorgverstrekkers wil ik dan ook wijzen op de vaak noodzakelijke multidisciplinaire benadering die vereist is om een holistische benadering van de patiënt mogelijk te maken. Kwaliteit heeft niet alleen te maken met het effect van een interventie maar vooral met de neveneffecten ervan, met de winst aan functionaliteit en de bereikte graad van autonomie.

Het "resultaat van de verzorging" moet worden afgewogen tegen de kost ervan. Dit gebeurt eveneens op het niveau van de patiënt, in functie van de levensdoelstellingen van de patiënt, en op basis van evaluatie en tevredenheid van de patiënt.

Om dit alles op te volgen dienen een aantal voorwaarden te worden vervuld:

· De gegevens dienen te worden verzameld in volledige concertatie met de zorgverstrekkers, teneinde de aanwezige achterdocht weg te werken en de nodige transparantie te creëren.
· De bestaande gegevens dienen te worden samengebracht en uitgebreid. Op basis daarvan moeten kwaliteitsindicatoren worden ontworpen, die als het ware de vinger aan de pols houden van een integraal kwaliteitssysteem.
· Hiertoe dient de nodige analyse-expertise te worden verzameld om deze data te vertalen in beleids- en sturingsinformatie, zowel voor de overheid als de verstrekkers.

Aansluitend hierop wil ik even stilstaan bij de talrijke adviesorganen die zowel binnen Volksgezondheid als binnen het Riziv aanwezig zijn. Binnen mijn administratie werd de oefening gestart waarbij een evaluatie uitgevoerd wordt van de bestaande adviesorganen. Het doel hiervan is na te gaan of er bepaalde adviesorganen kunnen samengevoegd worden, gereorganiseerd moeten worden e.d. Het is immers zowel voor de beleidsmakers, als voor de direct betrokkenen van wezenlijk belang om te kunnen beschikken over goed werkende adviesorganen.

Vandaar wil ik in overleg met collega Frank Vandenbroucke nagaan of het niet wenselijk is om het geheel van de kwaliteitsbewaking binnen de gezondheidszorg in een apart 'instituut' onder te brengen, waardoor aan kwaliteit de centrale plaats gegeven wordt die zij moet (kunnen) innemen.. Een 'Federaal Instituut voor Kwaliteitsbevordering In de Gezondheidszorg' (NIKIG) kan in dit perspectief tot stand komen. Dit idee zal verder besproken worden met het kabinet Sociale Zaken en zal natuurlijk overlegd worden met de betrokken actoren.

3.5 "Federaal instituut voor kwaliteitsbevordering in de gezondheidszorg

De aanleiding hiertoe ligt - zoals vermeld - in het verlengde van de nota gericht aan de Nationale Commissie Geneesheren Ziekenfondsen omtrent de accreditering en het medisch dossier van de huisarts: instrumenten voor een doelmatige gezondheidszorg. Ook in het rapport Peers vinden we een bevestiging van de noodzaak aan een geïntegreerde aanpak. Momenteel kan er immers gesproken worden van een zekere wildgroei van organen die de kwalitatieve of kwantitatieve evaluatie van de medische praktijkvoering tot opdracht hebben. Dit heeft als gevolg dat de opdrachten van de diverse organen overlappen, dat de exploitatie van de gegevens versnipperd is ...

Dit federaal instituut zou opdrachten kunnen krijgen binnen de domeinen evaluatie van de
medische praktijkvoering, de accreditering, de peer review ... Maar, zoals in het rapport Peers vermeld staat, dient kwaliteitsevaluatie zich niet enkel te beperken tot de zorgprocedures. De kwaliteit van de ingezette middelen en de kwaliteit van het zorgproces dient op termijn mee opgenomen te worden binnen één structuur. Een dergelijk instituut dat bevoegdheden en opdrachten van 2 ministeries samenbrengt, zal natuurlijk onder gebracht worden bij én de Minister van Sociale Zaken én de Minister van Volksgezondheid. Hierbij moet gegarandeerd worden dat het instituut de nodige slagkracht krijgt om daadwerkelijk aan zijn opdrachten te beantwoorden. De opdrachten zouden als volgt geformuleerd kunnen worden:

· Het concipiëren, normeren en uitvoeren van een algemeen instrumentarium ter kwaliteitsbevordering voor de ganse (medische) praktijkvoering.
· Het interpreteren van de aangeleverde informatie op basis van de verzamelde gegevens, die zowel vanuit Riziv- als vanuit Volksgezondheid komen.
· Het genereren van feedback naar de respectievelijke organisatieniveaus van de respectievelijke gezondheidsberoepen (ziekenhuizen, LOK's, eerstelijnsplatforms, zorgprogramma's, ... )
· Het uitwerken van evaluatie- en accrediteringssystemen op het terrein in nauwe samenspraak met de respectievelijke beroepsgroepen en onderwijsinstellingen.
· Het adviseren van de bevoegde ministers omtrent te nemen maatregelen ter kwaliteitsbevordering.
· Het evalueren van nieuwe technologieën (technology assessment) en alternatieve benaderingen in de gezondheidszorgen met inbegrip van strategieën omtrent introductie en beheersbaar gebruik.
· Het vergelijken van de Belgische gegevens met internationale gegevens.

Op deze manier wordt een transparante en logische structuur aangeboden die voor zowel de beroepsgroepen als de beleidsverantwoordelijken een gedegen ondersteuning betekent. Bij de verdere operationalisering moet rekening gehouden worden met de opmerkingen die bij de diverse beroepsgroepen bestaan omtrent de huidige systemen. Bijvoorbeeld het accrediteringssysteem roept klachten op van de kant van het medisch korps. Zij zien dit teveel als een bijkomende administratieve verplichting om de nodige aanwezigheidspunten te behalen. Het zomaar oprichten van een nieuw instituut zal echter niet automatisch een verbetering betekenen, wanneer niet geleerd wordt uit de bestaande situatie.

Een dergelijk instituut zal echter niet op korte termijn gerealiseerd kunnen worden. Bovendien dient gewacht te worden op het voorstel van de nationale commissie geneesheren ziekenfondsen.

Met deze bespreking heb ik getracht een antwoord te geven op het rapport Peers, eerder dan een kritische reflexie. Toch wil ik hier in het kort enkele hoofdbedenkingen aangeven die mijns inziens gebruikt moeten worden wanneer het parlementaire debat verder gevoerd wordt omtrent de toekomst van ons gezondheids(zorg-verzekerings)beleid:

· De fundamentele gespletenheid van het Belgisch gezondheidsbeleid tussen de bevoegdheden en de aanpak van Volksgezondheid en ziekteverzekering wordt in het rapport niet echt geanalyseerd.
· De federalisering van België wordt buiten beschouwing gelaten, Nochtans is dit een wezenlijk onderdeel van het Belgisch systeem en moeten we meer en meer naar complementariteit en overleg toe werken.
· Er zijn een aantal opvallende blinde vlekken, zoals de patiëntenrechten, de personeelsproblematiek in de sector, de eerstelijnszorg, de supplementen en de herverzekering ervan door aanvullende verzekeringen, de geestelijke gezondheidszorg, het ouderenbeleid, ...
· Het Belgisch gezondheidssysteem wordt niet of nauwelijks gepositioneerd ten opzichte van Europa en de wereld. Nochtans moeten we meer en meer rekening houden met Europese ontwikkelingen en uitspraken van het Europees hof van justitie.

Een aantal van deze tekortkomingen heb ik proberen op te vangen in deze nota. In afspraak met het parlement zal echter in juni een uitgebreide nota voorgelegd worden op basis van verder overleg tussen minister Vandenbroucke en mezelf. We zullen dan ook niet nalaten om onze uiteindelijke beleidsvisie voor te leggen aan alle betrokkenen, met de vraag hun reflexies door te spelen en te bespreken.

Magda AELVOET
20 maart '00

Vorige nummer VorigeArchieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp