Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

Nr 4 - Mei 2000

Vorige nummer VorigeArchieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende

ONDERSTEUNING EN STRUCTURERING VAN DE EERSTE LIJN

Antwoord van het VBS aan Mevrouw M. AELVOET, Minister van Volksgezondheid
( 31 maart 2000)

Mevrouw de Minister,

Betreft :    Uw beleidsnota " Ondersteuning en Structurering van de Eerste Lijn: de essentiële component in de gezondheidsorganisatie ".

Met bijzondere aandacht hebben wij kennis genomen met de nota " Ondersteuning en structurering van de Eerste lijn " dd. 6.12.1999.

Wij vermoeden dat dit (zachtjes uitgedrukt) verontrustend document werd opgesteld door een medewerker-theoreticus die een zeer geringe ervaring heeft als curatief zorgverlener van patiënten. Dat blijkt duidelijk daar in de nota geenszins wordt uitgegaan van een centrale positie van de burger-patiënt. Integendeel. Deze nota is er hoofdzakelijk op gericht de patiënt elk zelfbeschikkingsrecht m.b.t. zijn toegang tot de gezondheidszorg te ontnemen.

De stellingen die hierin ontwikkeld worden, ingekleed in een pseudo-wetenschappelijke taal, blijken uitermate dogmatisch en stoelen meer op ideologie en de eigen " heilige " overtuiging dan op gevestigde feiten en wetenschap. Ons inziens zijn ze in geen geval gebaseerd op het belang van de patiënt en de volksgezondheid. Ze miskennen flagrant de effectieve rol die niet alleen de huisarts, maar ook de geneesheren-specialisten vervullen, binnen het activiteitsterrein dat hier wordt afgebakend als " de eerste lijn ", wat volgens de door U gehanteerde definitie betekent " buiten het ziekenhuismilieu ".

De uitgangspunten zijn vier stellingen van het regeerakkoord: " de zorgverstrekking aan de patiënt dient te gebeuren op de meest geschikte plaats; de eerstelijnszorgen dienen gestimuleerd, aanzetten dienen gegeven voor echelonnering en centrale rol van de huisarts (sic! Jammer genoeg dus niet de patiënt), het medisch dossier dient hierbij te worden ontwikkeld. "

Volgens de nota is de " eerste lijn " de " setting " waar de patiënt (verplicht) terecht moet voor gelijk welke klacht, en waar moet nagegaan worden of de klacht al dan niet in een ziektemodel moet geïnterpreteerd worden of als een " zelfoplos-send " ongemak. Deze " eerste professionele opvang " wordt waargenomen door iemand met " aanmeldingsverantwoordelijkheid ". Dit kan een verpleegkundige, kinesitherapeut, maatschappelijk werker of alternatieve genezer zijn, en -clement als de steller van de nota is- ook door een huisarts.
Wat concreet impliciet betekent dat de diagnose -de herkenning van een medisch probleem- niet meer gesteld hoeft te worden door een arts enerzijds, en dat de patiënt helemaal niet vrij is de zorgverlener te kiezen tot dewelke hij zich wenst te wenden anderzijds. De vrije toegankelijkheid wordt omgezet in een verplichte drempel, de inhoudelijk beperkte " eerste lijn ", waarin men al meteen mogelijke sub-drempels ziet opduiken.

Gaat de overheid aldus de patiënt het risico laten lopen en de zgn. " aanmeldings-verantwoordelijke " de beslissing laten nemen een borst- of ander carcinoom te herkennen als een " zelfoplossend ongemak "? Men kan zich inbeelden hoe geruststellend voor de patiënt het advies van de " aanmeldingsverantwoordelijke " wel zal zijn.

Onder punt 4. 1. lezen wij " In de feiten situeren zich op dit ogenblik ook de privé-specialisten en poliklinieken op de eerste lijn omdat ze ook rechtstreeks door de mensen kunnen geraadpleegd worden; dezen horen hier echter niet thuis omwille van hun specifieke functie ".

Het postulaat waarbij ambulante specialistische geneeskunde buiten de eerste lijn en dus buiten de rechtstreekse en vrije toegankelijkheid van de patiënt wordt gesteld, berust geenszins op objectieve noch redelijke gronden. De nota wil niet verduidelijken wat dan wel de specifieke functie van de ambulante specialistische zorg is volgens het toekomstig beleid. De nota gaat er immers van uit dat de rol van de specialist buiten het ziekenhuis geen reden van bestaan meer heeft vermits U deze assimileert met de zgn. " tweede en derde "(ziekenhuis-) lijn. Anderzijds wordt nochtans in het ziekenhuis ook dezelfde ambulante specialistische geneeskunde aangeboden.

Tevens gaat de beleidsnota ervan uit dat " speciale competentie " (punt 2.5) geen reden van bestaan meer heeft in de rechtstreekse toegang door de patiënt, daar waar deze competentie juist een verfijnde diagnose levert voor een specifiek door de patiënt herkenbare klacht, en een gepaste behandeling kan bieden, desgewenst (=de patiënt) in overleg en wisselwerking met de huisarts. Een met meer precisie georiënteerde medicatie kan heel wat "trial "- behandeling besparen. Evenzeer als een passende ambulante specialistische diagnose of behandeling onnodige hospitalisaties kan verhinderen.

Het uitgangspunt " zorgverstrekking op het meest geschikte niveau " van de regeringsverklaring wordt hier dus niet in acht genomen. Integendeel, de nota beperkt zich tot het inbouwen van toegangsdrempels, zonder enig recht van de patiënt inzake verzorging op het meest geschikte (lees- competente) niveau te poneren.

Terloops wijzen wij U erop dat noch het thans geldende principe van de vrije keuze van de patiënt, noch de rechtstreekse toegang tot de ambulante specialistische zorg door de tekst van de regeringsverklaring werd afgevoerd. Uw beleidsnota staat dus diametraal tegenover het gedachtegoed van uw grootste coalitie-partner, met name VLD-PRL.

Anderzijds verwart de nota op ongenuanceerde wijze een specialistische tussenkomst met het aanwenden van " gesofistikeerde of zeldzame technologie ". De laatste dertig jaren van niet aflatend hospitalocentrisch gezondheidsbeleid, hebben ervoor gezorgd dat dergelijke uitrustingen uitsluitend aanwezig kunnen zijn in de ziekenhuizen.

Het wekt enigszins verwondering dat de in de nota vooropgestelde beleidsopties niets veranderen aan dit hospitalocentrisme, met als slogan " specialistische zorg alléén in het ziekenhuis ", terwijl U zich recent positief uitlaat om de CT-scan dichter bij de eerste lijn te brengen, met name bij de extra-muraal gevestigde specialist.

De ambulante specialistische zorg kan met haar know how en zijn kleinschalige eenvoudige technische middelen een patiëntvriendelijk en kostenbesparend alternatief vormen. Nu nog drastischer dan bij uw voorgangers, wordt de extramurale specialistische zorg in het verdomhoekje geplaatst.

In tegenstelling tot wat Uw medewerkers misschien vermoeden, is het specialistisch eerstelijnsveld veel ruimer en onmisbaarder voor de patiënt dan de beleidsnota hem gunt.

Denkt U dat,
    - ondanks de risico's inzake medische aansprakelijkheid, de in de beleidsnota afgetekende eerste lijn de urgentiediensten gaat ontlasten?
    - de revalidatie en maatschappelijke wederinlassing niet langer specialistisch zal blijven?
    -de vraag inzake begeleiding van langdurige pathologische toestanden of van levenslang zieke patiënten (bvb. cardiale aandoeningen) niet meer naar een vakkundig specialist zal gericht blijven?
    - de steeds toenemende behoefte aan mentale zorg en nazorg niet langer een bijzondere en exclusieve vertrouwensrelatie zal vergen met een psychiater?
    - de patiënt met een oogaandoening niet liever rechtstreeks naar de oogarts zal blijven gaan?
    - de patiënt (bvb. met een huidziekte) liever niet zijn hinder of pijn verlengd ziet worden door de vooropgestelde polyvalente of pluridisciplinaire tussenkomsten?
    - de patiënt met de ziekte van Ménière niet regelmatig zijn neus-keel-oorarts nodig zal hebben?
    - huisartsen niet met hun kinderen naar de pediater zullen gaan ?
    -de vrouw haar vast vertrouwen in haar gynecolo(o)g(e) gaat inruilen voor uw polyvalente eerstelijnsequipe?
    enz...

Evenzeer als de huisarts benadert de geneesheer-specialist de patiënt in zijn globale context, met bovendien zijn specifieke bevoegdheid en vakkennis op het welbepaalde medisch deelgebied waartoe de klacht behoort. In tegenstelling tot wat U beweert, beweegt de geneesheer-specialist zich terecht in een opvang- en zorgcontinuum binnen het ambulante activiteitsveld van de eerste lijn, met wederzijdse linken naar de andere professionnals zoals de huisarts, verpleegkundigen, paramedici enz...enerzijds, en naar het tweede en derde echelon anderzijds. Zijn tussenkomst is afgestemd op de meer specifieke vraag van de patiënt.

Moet dit verhinderd worden? Is het democratisch een bepaalde keuze of voorkeur op het gebied van het zorgpatroon op te dringen aan de zieke burger?

Daarbij aansluitend is de bewering dat de door de beleidsnota voorgestelde eerstelijns voorzieningen de " medicalisering " zou voorkomen helemaal uit de lucht gegrepen. Een toenemend aandeel van de geneesmiddelen-consumptie (82%) wordt gegenereerd door de huisartsen, niet door de specialisten. Tijdens een door het RIZIV georganiseerde consensus-vergadering (14.03.2000) over het gebruik van de anti-depressiva, kwamen onthutsende vaststellingen aan het licht, die geenszins doen vermoeden dat in de vooropgestelde eerste lijn een adequater en meer kostenbesparend voorschrijfgedrag kan verwacht worden. Ook niet dat de patiënt er beter bij zal behandeld worden.

Bovendien moet opgemerkt worden dat " medicalisering " net het gevolg is van de groeiende maatschappelijke vraag naar informatie over de gezondheidstoestand, welke precies aanleiding geeft tot andere wettelijke initiatieven zoals het " recht op informatie " en recht op een " informed consent ".

De vooropgestelde beleidsopties zijn diametraal tegenstrijdig met de huidige tijdgeest en de juridische denkwereld die zich op het vlak van het medisch en zorgverlenend handelen ontwikkelt. Als men uw beleidsnota naast het wetsvoorstel over de " rechten van de patiënt " legt, slaat elk redelijk lezer gewoonweg tilt.

Naargelang het specialisme varieert het percentage van spontane raadpleging van een specialist. Volgens het " Rapport Peers " bedraagt dit gemiddeld 70% van diens patiënteel.

U zult dus begrijpen dat de aangekondigde beleidsvoornemens zeer verregaande gevolgen zullen hebben: de volledige afvoering van de extramurale specialistische zorg, de definitieve uitschakeling van de rechtstreekse toegang tot specialistische geneeskunde. U zult tevens begrijpen dat dit toekomstperspectief ons ertoe zal dwingen een aantal bewarende maatregelen te treffen. Eerst en vooral zullen wij vanuit democratisch oogpunt het dagelijks patiënteel van de ambulante specialistische praktijk uitvoerig voorlichten betreffende de voorgenomen maatregelen, meer bepaald wat betreft de aantasting van hun zelfbeschikkingsrecht. Anderzijds zullen wij de professionele gezondheidswerkers van de ambulante specialistische sector de nodige juridische instrumenten aanreiken om hun rechten te verdedigen, meer bepaald wat betreft de schade en broodroof (70%) berokkend door deze discriminerende beleidskeuzen.

Alhoewel men er bij de besprekingen over de wet betreffende de niet conventionele praktijken, was van uitgegaan dat de tussenkomst van dezen slechts aanvaardbaar kon zijn voor patiënten die bij de zgn.klassieke geneeskundige behandeling geen soelaas kunnen vinden, moeten wij met onthutsing vaststellen dat de beleidsnota de beoefenaars van de niet-conventionele praktijken meteen " hun plaats in het zorgaanbod van de eerste Iijn " verleent. De specialist niet. Men kan zich al inbeelden wat de gevolgen zouden zijn van een gedurende een jaar niet-conventioneel " behandelde " patiënt met een rectumcarcinoom.

Het zou de moeite lonen dergelijke " wetenschappelijk " ondersteunde beleidsoptie kenbaar te maken aan alle academische middens.

Onafgezien van het feit dat wij de auteurs van de beleidsnota wensen te waarschuwen voor de risico's van deze blijkbaar voor hen gevestigde overtuiging, stellen wij eveneens vast dat het holistisch aspect van deze praktijken geen probleem blijkt te vormen, alhoewel bepaalde van deze beroepen op zeer specifieke deelgebieden gericht zijn (bvb. osteopathie, chiropraxie).

Samengevat:

1 .    De beleidsnota stelt de patiënt helemaal niet centraal, maar wel de verzorgingsstructuren. Het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt,wat de toegang tot de zorgverleners betreft, wordt volledig genegeerd en a priori als irrelevant beschouwd (dogma nr 1). De verzorgingsstructuren beslissen over de patiënt.

2.    De beleidsnota verzwakt de positie van de huisarts en van de medische opvang in het algemeen, door deze ondergeschikt te maken aan een structuur van medische hulpkrachten en zelfs van alternatieve genezers, als " aanmeldingsverantwoordelijken ". Niets is nochtans irrelevanter dan systematisch de interpretatie van ziekteklachten aan niet-medici over te laten, of dan eerstelijns-behandelingen te laten instellen door beoefenaars behorend tot     de niet-rationele of irrationele zorgsfeer. (dogma nr 2)

3.    De beleidsnota is bovendien strijdig met het regeerakkoord (dat zorgverstrekking voorziet op het meest geschikte niveau), door elke vorm van ambulante specialistische zorg uit te sluiten van de " eerste lijn ". De eerste lijn vertrekt dus met een aanzienlijk deficit aan " speciale competentie ". Deze wordt immers niet ais relevant geacht in eerste lijn; niet-rationele zorgopstelling daarentegen wel. (dogma nr 3)

4.    De patiënt verliest zijn recht om zo vlug mogelijk de gepaste zorg voor zijn aandoening te krijgen. Nochtans - net zoals elke arts benadert de geneesheer-specialist de patiënt in zijn geheel (holistische benadering), met bovendien zijn specifieke bevoegdheid en vakkennis op het welbepaald medisch deelgebied waartoe de klacht behoort. De beleidsnota miskent de rationeel medisch-wetenschappelijke opstelling van de specialistische bekwaamheid. (dogma nr 4)

5.    Door het totaal onterecht miskennen van de rol van de ambulante specialistische geneeskunde, vervalt het beleidsconcept in een ultra-hospitalocentrische opstelling, waarin het team van " aanmeldingsverantwoordelijken " als enig alternatief hebben de patiënt meteen over te hevelen naar het ziekenhuis. (dogma nr 5)

6. " Medicalisering ", d.w.z. de patiënten inzicht verschaffen in de geneeskunde, wordt door de nota als ongepast afgewezen. Wil men de patiënten onwetend laten omtrent hun kansen op medisch-specialistische behandelingen in de gezondheidszorg? Deze opvatting is totaal onverenigbaar met het recht van de patiënt op informatie zoals gedefinieerd in actuele wetsontwerpen.(dogma nr 6)

7.    Tegenover de bewering van de WVVH, dat 80% van de klachten bij de huisarts door hem kunnen opgelost worden zonder bijkomende middelen, staat dat 70% van de specialistische patiëntencontacten zonder verwijzing door een huisarts geschieden. Dit bewijst enerzijds dat de mensen bij hun toegang tot de gezondheidszorg hun gezond verstand gebruiken, en anderzijds dat het verkeerd zou zijn een harde (artificiële) scheidingslijn of drempel tussen beide in te bouwen en specialistische zorg uit de eerste lijn te weren. (de drempel zelf is dogma nr 7).

8.    Volgens de beleidsnota bestaat integratie van de verschillende zorgtypes (curatieve, preventieve, gezondheidspromotie) uitsluitend in het vooropgestelde eerstelijns-concept (dogma nr 8). Ook in de specialistische geneeskunde wordt, naast de curatieve zorg, een fundamentele rol gespeeld op het vlak van de preventie en gezondheidspromotie. De beleidsoptie mist bijgevolg, op het vlak van de zgn. integratie, volledig haar doel door de specialistische zorgverlening eruit af te stoten.

Deze beleidsnota heeft hoofdzakelijk dogmatische uitgangspunten, houdt niet het minst rekening met de fundamentele rechten van de patiënt, stemt niet overeen met het regeerakkoord en kan niet anders dan de volksgezondheid zware schade berokkenen.

Aanvaardt, Mevrouw de Minister, onze beleefde groeten,

Met ware hoogachting,

Prof. Dr J. GRUWEZ
wd. Voorzitter

Vorige nummer VorigeArchieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp