|
Vorige Inhoud  Volgende
DE " BEST PAGES " VAN HET RAPPORT PEERS
Het is maar om de 15 à 20 jaar, wanneer de overheid helemaal geen zicht meer heeft op
de onmogelijke opeenstapeling van haar dikwijls tegenstrijdige maatregelen, dat ze
opdracht geeft aan een of enkele deskundigen om een grondig, ordentelijk en leesbaar
rapport op te stellen over de " status praesens " van de chaos, met de
bijkomende vraag naar mogelijke suggesties voor de toekomst.
De mogelijkheden, zegt prof. Dr J. PEERS, om de gewenste doelstellingen van kwaliteit en
uitgavenbeheersing te bereiken raken uitgeput. Desondanks is de Voorzitter van de
Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen in zijn 227 pp. tellende verslag op magistrale
wijze in zijn opdracht geslaagd. Op subtiele wijze wordt het ganse wetgevende en
reglementaire verdriet van de actoren van de gezondheidszorg opnieuw geventileerd in
vakjes en hoofdstukken, alsof het op de koop toe krachtlijnen waren van een verbluffend
weloverdacht beleid, weliswaar dikwijls spaaklopend en chronisch ongeneeslijk wat zijn
contradicties betreft.
Niet zonder enig scepticisme, en met de verwittiging dat een tijdrovende cultuurwijziging
zal nodig zijn, formuleert de auteur tevens een reeks voorstellen, waaronder verscheidene
ook door velen onder ons zullen bijgetreden worden. De echte problemen ontstaan pas
wanneer de opties ook concreet gestalte krijgen.
Maar ondanks zijn nochtans zeer diepgaande evaluaties van het systeem vervalt de auteur
zelf in het euvel van de tegenstrijdigheden. Zo betreurt hij enerzijds dat de overheid er
via haar budgettaire en correctie-maatregelen nooit in geslaagd is de spiraal van de
prestatievolumes om te buigen. Maar anderzijds blijken de zeer hypothetische grafieken van
Dr DERCQ die, tegen het jaar 2043 (alsof het morgen was) tekorten aan specialisten
vooropstellen, meteen te leiden tot de verontrustende bedenking : minder specialisten, dus
minder verstrekkingen en minder inkomsten voor de ziekenhuizen, dus uitbatingstekorten (of
" compensatie door het aanrekenen van supplementen ", wordt eraan toegevoegd).
En uit deze reflexbeweging volgt dan weer dat de numerus clausus stellig moet gepaard gaan
met een hervorming (forfaitarisering) van het financieringsstelsel (p.36)
Is de forfaitarisering dan bedoeld om het financieel evenwicht van de ziekenhuizen te
verzekeren, ongeacht het aantal artsen ?.
Belangrijk is de bemerking dat de programmatie van ziekenhuisdiensten nog weinig zinvol
is, vermits er weldra, door de fusie- en hergroeperingbeweging, minder dan 150
ziekenhuizen overblijven die aan alle erkennings-voorwaarden voldoen om al wat
programmeerbaar is te kunnen aanbieden (p.42). Met daarbij dan de niet vermelde
vaststelling, dat buiten die entiteiten een totaal medisch-technisch pauperisme werd
georganiseerd.
De extramurale specialistische zorg krijgt ten andere blijkbaar geen schijn van kans in
het rapport. Alhoewel " de vrije keuze van de geneesheer en de verzorgingsinstelling
een verworven kenmerk is in ons stelsel. Bij het oprichten van integrale zorgorganisaties
en patiëntenzorgketens moet er met het criterium van keuzevrijheid rekening
gehouden worden. Het is nuttig meerdere vormen van zorg bewust open te houden en
monopolievorming door verregaande fusie te vermijden" (p.210).
Het remgelden-beleid heeft ervoor gezorgd dat ongeveer 151 miljard van de zorgkosten
rechtstreeks door de patiënt worden gedragen.(p.50). Herhaaldelijk wordt in het rapport
echter beklemtoond dat remgelden weinig of geen effect hebben. Wel wordt een binding
gelegd met de responsabilisering van de ziekenfondsen en het aanbieden door de V.I. van
allerlei nieuwe " producten " die, meer dan voorheen, gefocust zijn op een
rechtstreekse band met de verplichte ziekteverzekering. De aanbieders van deze diensten
breken dus het algemeen solidariteitsprincipe van de ziekteverzekering af, door de
solidariteit te beperken tot de eigen leden of klanten.
" Bovendien kan de vraag worden gesteld of het wenselijk is dat de V.I. over
wettelijke instrumenten beschikken om individuele initiatieven te nemen in de verplichte
ziekteverzekering. Dergelijke denkpistes moeten uiterst zorgvuldig worden afgewogen "
. (p 75)
Wat de al dan niet rechtstreekse toegang tot de specialist betreft, noteert de auteur dat
als 52% van de patiënten beroep doen op een specialist, dit in 70% van de gevallen
spontaan en rechtstreeks gebeurt. Slechts 30% van de specialistische zorg gebeurt op
verwijzing. 65% van de klinische biologie, 45% van de medische beeldvorming, en 60% van de
kinesitherapeutische zorg geschiedt op verwijzing door de huisarts. Het ligt o.i. voor de
hand dat, in geval van strikte echelonnering, de sterke trend naar rechtstreekse toegang
bij de specialist alleen kan omslaan in een aanzienlijke toename van verwijzingen.
Wat de derdebetalersregeling (DBR) betreft, wijst het rapport erop dat het in 1986
ingevoerde verbod de bedoeling had de prestaties op initiatief van de patiënt te
beheersen (raadplegingen). Hij stelt voor dit systeem om te keren en de DBR toe te passen
op intellectuele verstrekkingen, doch niet voor technische handelingen die zonder
verwijzing gebeuren.
Wel menen wij te mogen begrijpen dat de auteur voorstander is van de aanwending van de DBR
voor zijn eigenlijke sociale bestemming, nl. de zorgtoegankelijkheid voor de meest
kwetsbare groepen in de samenleving.
Door het invoeren van een sociale inkomensgrens zou o.i. het systeem aanzienlijk winnen
aan efficiëntie, maar daarvoor is enige politieke moed nodig.
Anderzijds is het rapport zeer kritisch t.o.v. van het gevolgde beleid inzake lineaire
tariefaanpassingen en correctiemaatregelen. Blijkbaar hadden de auteur en de Minister van
Sociale zaken geen wederzijdse voorkennis over hun respectievelijke projecten De recente
maatregelen om voortaan " vlottende " tariefregelingen te voorzien, zelfs
wanneer forfaitaire budgetfinanciering (klinische biologie) wordt toegepast (Programmawet
24.12.99, B.S.31.12.99, 3e ed.) komen ons dan ook onbegrijpelijk over.
Even kritisch is de analyse van het huidige systeem van de ziekenhuisfinanciering.(p.78)
Het feit dat de beheerders "steeds meer oog hadden " voor de financiële
gevolgen van de gegevensregistratie, doet vragen rijzen aangaande de betrouwbaarheid van
de verzamelde gegevens, alhoewel ze gecontroleerd worden door externe audit-procedures
georganiseerd door Volksgezondheid. Moeten we daaruit afleiden dat een zekere
gegevens-afdekking gebeurt ? De verpleeginstellingen zijn toch ook " zorgverleners
" in het kader van de Z.I.V..
Anderzijds wordt de vinger gelegd op de veelvuldige tekortkomingen van het
financieringssysteem en de quasi onmogelijke positie van de ziekenhuisbeheerder.
Vervelend is evenwel dat nergens extramurale behandeling als mogelijk alternatief van
ziekenhuisopname wordt geanalyseerd. Zelfs in de aanbevelingen (p.81) stelt men vast dat
de " permanente evaluatie van klinische opnamecriteria " behoorlijk afgezwakt is
t.o.v. de vertaalde (doch vermoedelijk niet helemaal gecorrigeerde) versie, nl. "
déterminer et évaluer en permanence le critère du seuil clinique au-delà duquel
il y a lieu d'hospitaliser afin d'éviter les phénomènes de sur-hospitalisation
". Wat duidelijk aantoont dat de bewoordingen waarmee de materie behandeld werd ,
niet alleen tactvol maar ook strategisch werden afgewogen.
Behoorlijk interessant is ook het hoofdstuk over de 30 onder forfait werkende "
medische huizen "(p 94), waarin de opvallend positief gediscrimineerde behandeling
van deze huisartsencentra wordt toegelicht: 10% opwaardering wegens patiënten met een
laag sociaal-medisch-psychisch profiel ( ?), plus 10¨% wegens alleen in aanmerking komen
van patiënten-consumenten van eerstelijnszorg ( ?), andermaal 10% op voorwaarde van een
lager gemiddeld voorschrijfprofiel voor klinische biologie en medische beeldvorming, en
(toppunt !) lager verbruik van ziekenhuisopname dan het nationaal gemiddelde. Wordt de
extramurale specialist de meest aangewezen partner van de medische huizen ?
Alhoewel de meest centrale kritiek op het gezondheidsbeleid gericht is op de totale
versnippering van de maatregelen, en in de aanbevelingen uitvoering gepleit wordt voor een
globale visie, gaat het rapport toch nog maar eens verder in de versnippering door een
bijzonder lovende evaluatie van de door de vorige regering ingezette strategie van de
zorgprogramma's voor zgn. " homogene " patiëntengroepen.
Wij hebben in dit nummer slechts enkele pagina's uittreksels overgenomen uit de
opeenvolgende evaluaties van de beleidscomponenten inzake gezondheidszorg. We beseffen dat
dit niet noodzakelijk de belangrijkste bladzijden zijn. Tevens geven we de
synthesevoorstellen weer zoals ze in de besluiten van het rapport worden geformuleerd. Wie
een volledig exemplaar wenst kan dit bekomen op eenvoudige aanvraag. Wij verwachten
anderzijds uw commentaar en bedenkingen. We zullen ze in gebundelde vorm overmaken aan de
auteur.
Het " rapport Peers " is er. We zijn staan weer klaar voor de komende vijftien
jaar en hebben stof genoeg voor ettelijke zittingen " Ethiek en Economie ". En
dus jaren accreditering.
Vorige Inhoud  Volgende
|