|
Nr 7 - September 1999
Vorige Inhoud  Volgende
DE SPECIALISATIE-OPLEIDING EN DE ROL VAN DE UNIVERSITEITEN - KB 16 MAART 1999
1. Brief van Dr Mercken aan Mevrouw M. Aelvoet, Minister van Volksgezondheid
(13.7.1999)
Mevrouw de Minister,
Een nog in extremis uitgevaardigd K.B. van uw voorganger Marcel COLLA, schept aanzienlijke
rechtsonzekerheid voor de GSO die op dit ogenblik in opleiding zijn.
De art. 3 en 4 van het K.B. van 16.3.1999 voorzien respectievelijk een attest van
aanvaarding door een faculteit en een attest van een universitaire opleiding, met vrucht
gevolgd, tijdens de eerste twee opleidingsjaren.
Het K. B. heeft echter geen overgangsbepalingen voorzien, met als gevolg dat :
- de reeds erkende stageplannen, voor dewelke geen "aanvaarding" door een
faculteit voorzien was, niet meer volledig zijn. GSO's die een opleiding volgens het
"vrije" circuit volgen zullen misschien geen "aanvaarding" kunnen
bekomen...
- de reeds lopende opleidingen niet meer kunnen voldoen aan de vereiste van art. 4.
Mogen wij U daarom verzoeken ofwel de art. 3 en 4 in te trekken, ofwel minstens een
overgangsregeling te voorzien volgens dewelke de art. 3 en 4 slechts gelden voor de
stageplannen ingediend vanaf het academisch jaar 1999 - 2000.
Wij zijn uiteraard formeel gekant tegen de verzuilde regeling die door uw voorganger werd
voorgesteld. In plaats van een "aanvaarding" per faculteit, zou veel beter een
nationale selectieproef georganiseerd worden, waarbij per specialisme bepaald wordt wie,
volgens de behaalde resultaten, in aanmerking komt voor een specialisatie-opleiding.
De kandidaten kunnen dan vrij kiezen voor de opleiding die zij de beste achten en een
stageplan samenstellen dat overeenstemt met de criteria en dat door de erkenningscommissie
aanvaard wordt.
In bijlage laat ik U kopie geworden van een artikel van Prof. Dr J.A. GRUWEZ (De
Standaard, maandag 12 juli 1999), waarin dit standpunt grondig wordt toegelicht.
Hopende dat het U mogelijk zal zijn een gunstig gevolg te geven aan dit schrijven, en met
oprechte dank voor uw aandacht, groeten wij U beleefd,
met de meeste hoogachting,
Dr J. MERCKEN
Voorzitter
2. Antwoord van Mevr. M. Aelvoet
Geachte dokter Mercken,
Met de grootste aandacht nam ik kennis van uw schrijven van 13 juli 1999. De problematiek
is ons niet onbekend. Wij begrijpen uw bezorgdheid. Wij zullen met de grootst mogelijke
spoed deze zaak grondig onderzoeken.
In afwachting van een grondig onderzoek kunnen wij u meedelen dat artikel 3 van het KB van
16.03.1999 van toepassing is op aanvragen tot een stageplan volgend op de
inwerkingtreding van het betreffende KB (nI. tien dagen na de bekendmaking op 24.06.1999),
dat artikel 3 van het KB van 16.03.1999 niet van toepassing is op
aanvragen tot een stageplan die ingediend werden vóór de
inwerkingtreding van het betreffende KB, dat artikel 3 van het KB van 16.03.1999 niet
van toepassing is op opleidingen die vóór de inwerkingtreding van het
betreffende KB zijn aangevangen en dat artikel 4 van het KB van 16.03.1999 slechts
van toepassing is op stageplannen die onder de toepassing vallen van artikel 3 van
hetzelfde KB van 16.03.1999. Het nemen van voorlopige maatregelen lijkt ons dus niet
onmiddellijk noodzakelijk.
Wat de "verzuilde regeling " betreft, werd in tegenstelling tot wat in het
artikel van de Standaard werd beweerd geen enkele rechtsregel door mijn politieke
voorganger en de administratie geschonden.
Dit neemt niet weg dat wij de problematiek van eventuele overgangsmaatregelen en de "
verzuilde regeling " ernstig en met de grootst mogelijke spoed zelf zullen
onderzoeken.
Hopend u hiermee van dienst te zijn geweest, groet ik u beleefd.
De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu,
Magda Aelvoet
NAWOORD
In tegenstelling tot de mening van Minister Aelvoet menen wij toch dat haar politieke
voorganger wel degelijk enkele rechtsregels heeft geschonden, zoals bvb. het feit dat de
concrete inhoudsbepaling van de verschillende specialisatie-opleidingen (wat tot de
bevoegdheid van de Hoge Raad behoort) gedeeltelijk aan de universiteiten wordt
overgelaten, zonder dat daarover enig advies gevraagd werd aan de Hoge Raad voor
Geneesheren-Specialisten en Huisartsen. De Raad van State zal hierover oordelen.
Vorige Inhoud  Volgende
|