Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

Nr 3 - April 1999

Vorige artikel VorigeInhoud van deze nummer Inhoud Volgende artikel Volgende

DE SLUIPENDE REGLEMENTERING VAN DE SIS-KAART

Er zijn overheidsmaatregelen die meteen afstevenen op een confrontatie met de betrokken burger. Ze zijn bedoeld als voltreffers en veroorzaken schokgolven. Dikwijls scoren zij ook een boemerangeffect. De meeste maatregelen van Marcel Colla behoren tot die soort.
Daarnaast is er ook een langzaam oprukkende reglementering, die nauwelijks merkbaar langs de gevoelige zones glijdt, angstvallig de aandacht afwendt van elke mogelijke prikkeling, doch in stilte naar zijn doelwit sluipt. Ze laat nauwelijks een vage geur van onraad na. Tot deze soort behoort de SIS-reglementering.

In het Staatsblad van 24 december jl. werd een KB van 8 december 98 met nieuwe uitvoeringsmaatregelen m.b.t. de sociale identiteitskaart gepubliceerd, o.m. met betrekking tot de zgn. " beroepskaart ". Enkele weken later verscheen in de sociale programmawet (art 85 t.e.m. 90 van de wet van 25.01.99 -BS 6.02.99) een nieuw art.5bis van het basisbesluit van 18.12.1996 over de invoering van de SIS-kaart. Ook hier gaat het over de " beroepskaart ". Om enig inzicht te verschaffen in dit reglementair kluwen, is het geen overbodige luxe de verschillende bepalingen op een rijtje te plaatsen.

1. Basisbesluit (18.12.1996)

Artikel 5 zegt: " ...De natuurlijke of rechtspersonen die de derdebetalersregeling toepassen krachtens art 53, 8ste lid (van de ZIV-wet)...mogen, om hun verplichtingen inzake derdebetaler te vervullen, gebruik maken van de sociale identiteitskaart van de sociaal verzekerden waarmee ze in relatie zijn. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepaalde personen verplichten tot het gebruik ervan.... "

NB: Art 53, 8ste lid van de ZIV-wet is de wettelijke basis van het huidige KB van 10.10.1986 over de derdebetalersregeling (DBR). Dit artikel zegt dat bij in Ministerraad overlegd KB de voorwaarden en regelen worden vastgelegd overeenkomstig dewelke de derdebetalersregeling voor de (bij KB bepaalde) geneeskundige verstrekkingen is toegelaten, verboden of verplicht.

Hogervermeld art 5 wekt meteen argwaan, aangezien een toelatingsbegrip (" mogen ") gekoppeld wordt aan verplichtingen (" inzake derdebetaler "). Anderzijds blijkt uit " mogen " dat de zorgverstrekkers niet kunnen verhinderd worden de SIS-kaart te gebruiken.

Het nieuwe art 5bis zegt: " De authentificatie van de sociale identiteitskaart en, in voorkomend geval, de toegang tot de beschermde gegevens van de kaart, bedoeld in art 2, vierde lid, 2°, kunnen gebeuren door middel van een beroepskaart afgeleverd aan de krachtens art 5 gemachtigde gebruikers.
De uitreiking van de beroepskaart geschiedt voor de eerste maal zonder kosten voor de gebruiker. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit bepalen dat een vergoeding, waarvan hij het bedrag bepaalt, verschuldigd is voor de vervanging van de aanvankelijk uitgereikte beroepskaarten "

De beroepskaart moet dus wel degelijk afgeleverd worden (zonder onderscheid) aan alle natuurlijke of rechtspersonen die, weze het niet verplicht, de DBR toepassen overeenkomstig de verplichtingen die daaruit voortspruiten.

2. Het uitvoeringsbesluit

2.1. De gebruikers van de SIS-kaart

Het uitvoeringsbesluit van 22 februari 1998 (B.S. 13.03.98), bepaalt in art. 37 dat de sociaal verzekerden ertoe gehouden zijn hun SIS-kaart voor te leggen op verzoek van iedere zorgverlener die verstrekkingen levert waarvoor " de verplichte of facultatieve DBR van toepassing kan zijn krachtens art 53, 8ste lid " van de ZIV-wet.

Tevens bepaalt dit artikel voor welke zorgverleners het gebruik van de SIS-kaart voor DBR-prestaties verplicht is, nl.
    1° de verplegingsinrichtingen
    2° de apothekers.
Het KB van 8.12.98 (BS 24.12.98) voegt hier een categorie aan toe, nl.
    3° de zorgverleners die andere dan farmaceutische verstrekkingen verlenen aan sociaal verzekerden in een verplegingsinrichting.

Verder voorziet een (oorspronkelijk) derde lid van art 37 een niet-verplicht gebruik van de SIS-kaart,nl.:
" De andere zorgverleners mogen bij geneeskundige verstrekkingen gebruik maken van de sociale identiteitskaart van de sociaal verzekerden met wie zij in contact komen en alle gegevens gebruiken die erop voorkomen. "

2.2. De beroepskaart

Tot nog toe voorzag art. 43 van het KB van 22.02.98 de uitreiking van een beroepskaart met geheime code aan een reeks sociale zekerheidsinstellingen (in ruime zin) en, in de hoedanigheid van zorgverlener, alleen aan de ziekenhuizen. Art. 44 regelt apart de aflevering ervan aan de apothekers.

Het KB van 8.12.98 vervangt nu het eerste lid van art. 43 doch voorziet uitdrukkelijk nog steeds de uitreiking van de beroepskaart uitsluitend aan de ziekenhuizen en aan een (nogal logische) uitbreiding van de reeks sociale zekerheidsinstellingen. Men had even het RIZIV zelf en de Kruispuntbank vergeten...

Dit uitsluiten van de andere " zorgverleners " is wel bijzonder grof als men art. 39 van het KB van 22.02.98 leest. Dit bevat de exclusieve opsomming van de personen of instellingen die gemachtigd zijn " om de gegevens bedoeld in art 2, vierde lid van het KB van 18.12.1996 (cfr supra) ...die zijn vermeld in de microchip van de sociale identiteitskaart van de sociale verzekerden van wie zij het dossier behandelen, elektronisch te raadplegen en te bewaren ". Die opsomming vermeldt onder 6° " de zorgverleners " (zonder enig onderscheid).

De enige mogelijke verklaring is dat van de zorgverleners morgen extraluciede capaciteiten worden verwacht - onder niet-conventionele invloeden? - want de authentificering en verwerking van de chip-gegevens zullen ze moeten aankunnen zonder hun beroepskaart met geheime code. Hopelijk wordt spoedig andermaal het KB van 22.02.98 aangepast aan de recentste wetswijzigingen, en niet omgekeerd (zoals tot nog toe weliswaar het geval was). Wat verhindert immers de aflevering van een beroepskaart aan sommige zorgverleners, vermits ze allen beschikken over een RIZIV-identificatienummer?

2.3. En in de ziekenhuizen?

Zoals hoger vermeld, voorziet art. 37 nu ook de verplichte uitreiking van de beroepskaart aan de ziekenhuisartsen, nl. " de zorgverleners die andere dan farmaceutische verstrekkingen verlenen aan sociaal verzekerden in een verplegingsinrichting ".

Het KB van 8.12.98 bracht nog een andere niet onbelangrijke aanpassing aan de art. 43 en 46 van het uitvoeringsbesluit (KB 22.02.98).
" De beroepskaart voor geneeskundige verzorging en de daaraan verbonden geheime code wordt uitgereikt aan de bevoegde personen van de instellingen... "

Vermits het om een beroepskaart voor geneeskundige verzorging gaat, denkt U ongetwijfeld dat de bevoegde personen zoniet artsen, dan toch bevoegde zorgverleners zijn? Dat is ook wat de basisbepalingen bedoelen. Maar...dat is niet noodzakelijk de zienswijze van het ziekenhuis. De bepalingen van art 46, welke het toezicht van een veiligheidsconsultent voorzien, gaven hiertoe enige aanleiding. Onder de voormalige definitie van de taken van deze laatste kon men lezen:  " verdeling van de beroepskaart voor geneeskundig verzorging aan de bij naam aangewezen personen binnen hun diensten en terugname ervan ".

Deze omschrijving werd door volgende tekst vervangen: " verdeling van de beroepskaart voor geneeskundige verzorging en terugname ervan, aan de bij naam aangewezen personen binnen hun diensten en aan de bij naam aangewezen zorgverleners of vertegenwoordigers van verenigingen die factureren en innen voor zorgverleners, die andere dan farmaceutische verstrekkingen leveren aan sociaal verzekerden in de verplegingsinrichting en met toepassing van de derdebetalersregeling ".

Een definitie die talloze vragen oproept in verband met de rol van de Medische Raad, de rechtsverhouding met het ziekenhuis, de professionele autonomie van de arts, zijn bevoegdheid te delegeren of mandateren,enz... Een tekst die verre van volmaakt is, zelfs op het vlak van zijn concordantie met de basisbepalingen, en die bij de eerstvolgende gelegenheid best wordt aangepast. Men ziet trouwens niet in waarom de reglementering hier in onmogelijk ingewikkelde bochten wordt gewrongen, terwijl het veel eenvoudiger zou zijn een beroepskaart te voorzien voor alle zorgverleners, d.w.z.via hun RIZIV-identificatienummers. Op welke gronden gaat de overheid morgen kunnen garanderen dat de " bij naam aangewezen zorgverleners " wel degelijk alle zorgverleners zijn op wie het verplichte gebruik (art. 37) van de SIS-kaart toepasselijk is?

Tenslotte nog dit: de apothekers en ziekenhuizen moeten uiterlijk op 1 juli a.s. gevolg geven aan de verplichte toepassing. Een nieuw art. 63bis voorziet dat, als ze nog niet beschikken over de nodige leesapparatuur, ze er tijdens de overgangsperiode van 01.01 t.e.m. 30.06.99 niet toe gehouden zijn de SIS-kaart te gebruiken om de DBR toe te passen. Zou het dan niet beter zijn die deadline gewoonweg op te schorten en een grondige testfase op te starten in een beperkte geografische zone, maar dan met een volledige toepassing over alle geledingen van de gezondheidszorg?

Vorige artikel VorigeInhoud van deze nummer Inhoud Volgende artikel Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp